FITTER-congres: gedachten wisselen over de onderzoeksresultaten en enquête uitkomsten over injectietechniek

BD Micro-Fine 4mm pennaaldOp 23-25 oktober 2015 kwamen meer dan 150 experts van over de hele wereld bijeen voor het Forum for Injection Technique and Therapy Expert Recommendations (FITTER). Tijdens dit door BD gesponsorde congres, dat plaatsvond in Rome, bespraken zij de onderwerpen techniek, infusie en veiligheid, om het diabetesmanagement van miljoenen mensen te verbeteren.

Meer dan 14.000 virtuele afgevaardigden wisselden met een groot aantal vooraanstaande FITTER-experts van gedachten over de onderzoeksresultaten en de uitkomsten van de recente enquête over injectietechniek (ITQ), die is gehouden in het kader van het ontwikkelen van nieuwe internationale aanbevelingen over injectietechniek en veiligheid, die we in het voorjaar van 2016 kunnen verwachten. Het tweedaagse programma omvatte plenaire presentaties en groepssessies over een breed scala aan relevante onderwerpen, zoals educatie en training, infusie en veiligheid.

Diabetes is een ernstig gezondheidsprobleem dat wereldwijd hand over hand toeneemt. Volgens schattingen van de International Diabetes Federation lijden in 2035 wereldwijd circa 592 miljoen mensen aan diabetes. Het aantal mensen met diabetes type 2 neemt in alle landen toe, en doordat de diagnose vaak eerder wordt gesteld en de levensverwachting langer is, neemt ook de kans toe dat zij hun aandoening met behulp van injectietherapie moeten managen. Tijdens dit congres lag de nadruk dan ook op de grote hoeveelheid wetenschappelijke onderzoeken waarin wordt aangetoond dat de factor educatie over injectie- en infusietechniek een even grote rol speelt binnen diabetesmanagement als insuline, eetpatroon en een actief leven. [i] [ii] Naast alle klinische bewijzen en literatuur over dit onderwerp hebben de 13 leden van de Wetenschappelijke Adviesraad* van FITTER ook de resultaten van de wereldwijde ITQ-enquête met de afgevaardigden besproken. ITQ is een van de meest grootschalige onderzoeken ooit op dit gebied, en het omvat gegevens van meer dan 13.000 respondenten uit 42 landen, wat duidelijk aangeeft hoe belangrijk dit onderwerp is.

Er is overtuigend wetenschappelijke bewijs dat aantoont wat de positieve invloed van een correcte injectietechniek is op de gezondheid van diabetici. Een van de vele voorbeelden is het recente onderzoek van Grassi et al. waarin wordt geconcludeerd dat voorlichting over de injectietechniek niet alleen de bloedglucoseregeling verbetert, maar er ook voor zorgt dat diabetici tevredener zijn over de therapie en binnen slechts drie maanden (een relatief kort tijdsbestek) hun dagelijkse insulinegebruik kunnen verlagen.i

“Voorlichting is de sleutel en het is de missie van FITTER om de influencers, opleiders en zorgverleners te bereiken die de nieuwe aanbevelingen in hun dagelijkse praktijk gaan ondersteunen en verspreiden,” zegt Kenneth Strauss, Global Medical Director, BD Medical – Diabetes Care. “Het was een zeer succesvol evenement en een goede afspiegeling van het grote belang dat wereldwijd wordt gehecht aan de cruciale rol van injectietechniek binnen de diabeteszorg. De nieuwe aanbevelingen worden in het voorjaar van 2016 bekendgemaakt en wereldwijd onder de aandacht gebracht van alle partijen die bij diabeteszorg zijn betrokken.”
[Nieuwsbericht BD]

Diabetes type II

Hoop voor de toekomst dankzij JDRF

Onderzoekers die al jaren door JDRF gefinancierd worden aan Harvard en MIT hebben het voor elkaar gekregen om muizen met Type 1 Diabetes bijna 6 maanden insuline-onafhankelijk te maken. Hoe? Met een inkapselingssysteem!

Aan MIT werkten dr. Anderson en dr. Langer aan het hoesje van het inkapselingssysteem. Het gaat om een capsule van ongeveer 15 centimeter die wordt geïmplanteerd. Deze capsule bestaat uit een materiaal wat gemaakt is van bruine algen, waardoor het door het menselijk lichaam wordt geaccepteerd. Deze capsule is in eerste instantie zonder inhoud getest en kan 6 maanden blijven zitten zonder dat littekenweefsel wordt gevormd.

Na deze test is tijdens een volgende test de capsule geïmplanteerd met daarin eilandcellen van dr. Melton van Harvard. Deze eilandcellen nemen de functie van de bètacellen over en bleven over de hele testperiode (174 dagen) insuline produceren.

Lees verder op de website van JDRF.

Diabetes type I, Diabetesonderzoek

Eén op de drie Nederlanders krijgt diabetes

overgewichtOnderzoekers brengen risico suikerziekte op verschillende leeftijden in kaart
Eén op de drie Nederlanders krijgt ouderdomssuikerziekte en de helft van de Nederlanders een voorstadium daarvan. Dat schrijven onderzoekers van het Erasmus MC vandaag in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Lancet Diabetes & Endocrinology. Zij baseren hun bevindingen op gegevens van het langlopende bevolkingsonderzoek Erasmus Rotterdam Gezondheid Onderzoek (ERGO) in Rotterdam.

Diabetes is de meest voorkomende chronische ziekte in Nederland. Diabetes type 2 wordt ook wel ouderdomssuikerziekte genoemd en openbaart zich meestal pas later in het leven. De ziekte en het voorstadium ervan geven een sterk verhoogd risico op hart- en vaatziekten, blindheid, nierziekten en dementie. Onderzoekers van het Erasmus MC berekenden voor het eerst in Europa het levenslange risico op diabetes. “Dit geeft een concreet beeld van hoe het in Nederland gesteld is”, zegt promovendus Symen Ligthart van de afdeling Epidemiologie van Erasmus MC en eerste auteur van het artikel. “Uit onze studie blijkt dat één op de drie Nederlanders diabetes krijgt. Naar mate de leeftijd stijgt, daalt dit risico. Bij tachtigjarigen die nog geen diabetes hebben, is de kans op diabetes nog één op tien.”

Ligthart: “Daarnaast maakt de helft van de Nederlanders kans om een voorstadium van suikerziekte te krijgen. Met name mensen met obesitas en overgewicht hebben een hoger risico op diabetes, maar ook mensen met een gezond gewicht lopen gevaar. Mensen met een voorstadium van de ziekte hebben verhoogde bloedsuikerwaarden, maar weten dit vaak niet. Toch hebben 45 jarigen met het voorstadium van diabetes maar liefst 75 procent kans om diabetes te krijgen. Bij ‘magere’ mensen met een BMI van minder dan 25 is het risico op de ziekte nog één op vijf. Wat hier precies de oorzaak van is, weten wij nog niet. Vermoedelijk spelen erfelijke factoren en ongezonde voeding een rol. Uiteindelijk heeft de helft van de diabetespatiënten op gemiddelde leeftijd in de toekomst een behandeling met insuline nodig die de bloedsuikerspiegel verlaagt.”

De onderzoekers maakten gebruik van gegevens van het langlopende bevolkingsonderzoek Erasmus Rotterdam Gezondheid Onderzoek (ERGO) in Rotterdam. De ERGO-studie, internationaal ook wel bekend als de Rotterdam Study, volgt meer dan 15.000 ouderen in de Rotterdamse wijk Ommoord van 45 jaar en ouder. Zij analyseerden voor deze studie de gegevens van meer dan 10.000 deelnemers over een periode van 14 jaar. Deze deelnemers hadden geen diabetes of een voorstadium daarvan bij de start van deze studie. De publicatie in wetenschappelijk tijdschrift Lancet Diabetes & Endocrinology staat online gepubliceerd.
[Erasmus MC]

Diabetes type II

NRGY App: meet je fysieke, mentale en emotionele energie

NRGY App - Energie metenDe NRGY app is de eerste app ter wereld waarmee men binnen anderhalve minuut de fysieke, mentale en emotionele energie meet middels drie interactieve metingen. Door actief het persoonlijke energieniveau te meten, krijgt men meer zicht en zodoende meer invloed op de eigen vitaliteit. Hierdoor kan men op cruciale momenten het beste uit zichzelf halen.

Metingen via innovatieve technologie
De NRGY app maakt gebruik van drie verschillende interactieve metingen die tezamen een (energie)score geven. De test start met het maken van een foto van het gezicht. De hiervoor toegepaste Face-Reader technologie is internationaal onder andere in gebruik bij veiligheidsdiensten en komt nu middels de NRGY app voor het eerst beschikbaar voor consumenten. De waardes die uit de foto worden gehaald, geven de emotionele status weer.

De HRV (heartrate variability) meting via de camera van de telefoon geeft inzicht in de fysieke veerkracht en stressbestendigheid op dat moment.

Tot slot wordt een verkorte versie van de alertheidstest (PVT) gemeten die tevens wordt ingezet in de luchtvaart om piloten te screenen. Drie bewezen technologieën die samen een goed beeld geven van de persoonlijke vitaliteit.

Je energieniveau is afhankelijk van je fysieke, emotionele en mentale energie. Het meten van deze soorten energie kan op allerlei manieren. Het kan bijvoorbeeld met vragenlijsten of allerlei soorten tests. Voor de NRGY app zijn alleen tests gekozen die kort duren, waarbij geen vragen beantwoord hoeven te worden, en die uit te voeren zijn op een smartphone. De drie aspecten die worden gemeten zijn; hartritme variabiliteit (HRV), gezichtsuitdrukking en reactietijd, en zijn gekozen op basis van wetenschappelijke inzichten, in samenwerking met diverse experts. De drie gekozen maten hangen alle samen met vitaliteit, presteren en welzijn. De scores die deze tests opleveren zijn een grove indicatie en zijn niet geschikt voor het vaststellen van medische of psychische aandoeningen.

Met de NRGY app kun je zelf je fysieke, emotionele en mentale energieniveau in de gaten houden. Door vaker te meten, leer je meer over jezelf. Wat geeft mij energie en wat kost mij energie? Op welke momenten van de dag of week heb ik het meeste energie? Bovendien kun je met tips zelf aan de slag om je energieniveau te verhogen.

Meer informatie over de NRGY App
Benieuwd naar jouw Energie niveau?
Download de smartphone app voor NRGY App Apple of NRGY App Android.
Meer informatie over NRGY en de energie metingen vind je op de website van de NRGY App.

Diabetes Algemeen

Philips en het Radboudumc introduceren eerste diabetes-app met online gemeenschap

Online gemeenschap verbindt patiënten met alle zorgverleners en stelt hen in staat om zowel de persoonlijke zorggegevens van patiënten als de medische gegevens van zorgorganisaties te delen.
Via een mobiele app kunnen patiënten hun bloedsuikerniveau, insulinegebruik, voeding, fysieke activiteit, stemming en stress bewaken, en thuis en onderweg op basis van gegevens feedback en coachingsadvies* krijgen.
De app, die is gebouwd op Philips’ digitale cloud-platform HealthSuite en de Salesforce App Cloud wordt onthuld op de Dreamforce 2015-conferentie in San Francisco.
Koninklijke Philips N.V. (NYSE: PHG; AEX: PHIA) en het Radboudumc introduceren vandaag een digitaal prototype voor ‘connected care’ dat mensen met diabetes en hun zorgverleners in staat stelt om met meer vertrouwen zorgbeslissingen te nemen bij het managen van de complexiteit van zelfzorg bij diabetes. De oplossing die de partijen ontwikkelen zal zich in deze eerste fase richten op patiënten met diabetes type 1.
Alle gegevens beschikbaar en feedback krijgen van zorgteam en mede-patiënten

Het systeem, dat bestaat uit een mobiele patiënten-app en een online gemeenschap, is het eerste dat elektronische patiëntgegevens, verschillende apparaten op het gebied van persoonlijke gezondheid – waaronder draadloze glucosemeters en activiteitsmonitors – en door de patiënt zelf ingegeven gegevens verzamelt en verbindt. Via een smartphone of tablet geeft de app patiënten doorlopend toegang tot belangrijke parameters als bloedsuikerwaarden, insulinegebruik en voeding, en biedt hij thuis en onderweg coachingsadvies*. Binnen de medische richtlijnen van zorgorganisaties kunnen deelnemende patiënten en zorgprofessionals in de beveiligde online omgeving via privéberichten of het delen van berichten met elkaar in contact komen. Op deze manier kunnen patiënten met behulp van de gecombineerde gegevens feedback krijgen van hun zorgteam en hun ervaringen eenvoudig delen met andere patiënten, medici en zorgverleners.
Het gezamenlijk door Philips, Radboudumc en Salesforce ontwikkelde prototype dat als eerste met diabetes type 1 patiënten zal worden getest zal naar verwachting vóór het eind van het jaar ter evaluatie beschikbaar komen op bepaalde markten. Er zijn plannen om vergelijkbare oplossingen te introduceren voor andere chronische aandoeningen.

Lees verder op de website van het Radboud.

Diabetes Algemeen, Diabeteszorg

Eerste Europese conferentie over insulinepomptherapie

Net voor de 51ste jaarlijkse bijeenkomst van de Europese Vereniging voor Diabetes Onderzoek (EASD) op 14 september 2015 in Stockholm, is een symposium georganiseerd over de optimalisering van de insulinepomptherapie, waar vooral aandacht zal worden besteed aan infusieset fouten.

Dit symposium over de Optimalisering van de insulinepomptherapie is geleid door zes vooraanstaande endocrinologen en diabetesspecialisten uit Europa en de VS. Als eerste in Europa zal dit symposium aandacht besteden aan onderbrekingen van de insulinestroming en aan stille occlusies. Deze complicaties kunnen voorkomen bij het gebruik van insulinepompen en infusiesets.

Onderbrekingen van de insulinestroming worden in studies gedefinieerd als een permanente stijging van de inline druk die minstens 30 minuten duurt., Bij sommige patiënten kan dit aanleiding geven tot een onverklaarde hyperglykemie.
Ze veroorzaken geen occlusie-alarm en worden daarom “stille occlusies” genoemd. Er werd aangetoond dat ongeveer twee derde van de huidige gebruikers van een insulinepomp, perioden van onverklaarde hyperglykemie heeft ervaren. Vermoedelijk zijn deze het gevolg van onderbrekingen van de insulinestroming die vaak niet gedetecteerd worden door het occlusie-alarmsysteem van de pomp.  Aangezien personen met type 1 diabetes geen insuline aanmaken,  kan een onderbreking van de stroming van een pomp aanleiding geven tot een tekort aan insuline en kunnen de bloedglucosewaarden snel stijgen.iii

Insulinepomptherapie is een van de meest geavanceerde behandelingen voor mensen met diabetes. Ondanks het belang ervan, werd echter onvoldoende onderzoek verricht naar de betrouwbaarheid van de systemen voor insulinetoediening en, meer in het bijzonder, naar de infusiesets. Ze worden dan ook de “Achillespees” van CSII genoemd.  Op het symposium over de Optimalisering van de insulinepomptherapie zal gesproken worden over ontbrekende kennis en over technische problemen met het gebruik van insuline-infusiesets, met inbegrip van onderbrekingen van de stroming en van stille occlusies.

Dit wordt het eerste symposium in Europa waarop dit onderwerp zal worden besproken. De aanwezigen zullen doeltreffende strategieën bepalen om de kennis van de patiënt en van de gezondheidswerker over insuline-infusiesets te verbeteren en zullen de mogelijke voordelen evalueren van de nieuwe technologie voor infusiesets in de klinische zorg. Het symposium over de Optimalisering van de insulinepomptherapie wordt georganiseerd voor de jaarlijkse EASD bijeenkomst op maandag 14 september 2015 van 14.30 – 17.00 in de Stockholmsmässan, Rahbar Hall B, Stockholm, Zweden. Het symposium wordt ondersteund door een onbeperkte studiefinanciering van Becton Dickinson (BD).

We nodigen alle personen met belangstelling voor diabetes, insulinepomptherapie, infusiesets of “Stille occlusies” uit om aanwezig te zijn op dit symposium. Voor meer informatie en om u vooraf in te schrijven: http://bdsympo2015.com/.
[BD]

Diabetes Algemeen

Patiënten met diabetes type 2 gezocht voor onderzoek

De afdelingen Radiologie en Endocrinologie van het Leids Universitair Medisch Centrum doen wetenschappelijk onderzoek naar de invloed van het nieuwe medicijn liraglutide op hart en bloedvaten bij patiënten met diabetes type 2.

Liraglutide verlaagt de bloedsuikers, zorgt voor gewichtsverlies en heeft mogelijk een gunstig effect op hart en bloedvaten. U kunt meedoen aan het onderzoek als u aan alle volgende punten voldoet:

  • U heeft diabetes mellitus (suikerziekte) type 2
  • U gebruikt metformine (insuline en SU-preparaten ook toegestaan)
  • U bent ouder dan 18 jaar en jonger dan 70 jaar
  • U heeft geen hartinfarct gehad
  • Uw HbA1c waarde is te hoog (hoger dan 52 mmol/mol)

Het onderzoek is dubbelblind en gerandomiseerd. Dit houdt in dat via loting wordt bepaald of u liraglutide of een placebo krijgt en zowel u als de onderzoeker niet weten waarvoor u heeft geloot. U moet de studiemedicatie gedurende 26 weken onderhuids inspuiten. Voor en na de behandeling wordt een MRI-scan gemaakt van uw hart, grote bloedvaten, lever en nieren. Ook wordt bloedonderzoek verricht. Voor deelname krijgt u een financiële vergoeding van 500 euro en een reiskostenvergoeding.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met dhr. M.B. Bizino, arts-onderzoeker.
Tel: 071-5298060
E-mail: m.b.bizino@lumc.nl
[LUMC]

Diabetes type II, Diabetesonderzoek

Wel of niet insuline injecteren?

BD Micro-Fine 4mm pennaaldHet belang van een geoptimaliseerd insulineschema voor het bereiken van een evenwichtige bloedglucosespiegel om zo het optreden van aan diabetes gerelateerde complicaties te voorkomen of te vertragen, wordt tegenwoordig door iedereen erkend. Dit resultaat kan alleen worden bereikt als de patiënt zich de behandeling eigen maakt en actief meewerkt, niet alleen bij het uitvoeren van de injecties, maar ook bij de zelfcontrole van de bloedglucosespiegel. Dit is onmisbaar voor het aanpassen van de insulinedoses en daarmee voor een goede beheersing van de bloedglucosespiegel. Ondanks het verbeterde injectiemateriaal, met name de naalden, blijft het naleven van de behandeling met injecties een uitdaging, vooral wat betreft insulinetherapie.

Een evenwichtige bloedglucosespiegel (bloedspiegel van hemoglobineglycaat – HbA1c, aanvallen van ketoacidose) is gecorreleerd aan het aantal uitgevoerde insuline-injecties (1). 20 tot 57% van de patiënten zegt volgens onderzoeken in het dagelijks leven het aantal insuline-injecties en de dosering te beperken (1-3). Uit een recent onderzoek blijkt dat dit in Frankrijk 19,9% is (4).
Er kunnen verschillende scenario’s worden beschreven, afhankelijk van het type diabetes en het moment in de ontwikkeling van de diabetes (diagnose, aanvang van insulinebehandeling bij diabetes type 2, behandeling op lange termijn…).

De aanvang van de behandeling met insuline vindt, afhankelijk van het type diabetes, plaats onder zeer verschillende omstandigheden. Bij diabetes type 1 valt de aanvang van de behandeling samen met het moment van de diagnose. We gaan hier niet gedetailleerd in op de voorwaarden voor het goed overbrengen van de diagnose. In het kort: het ritme van de patiënt in acht nemen, zijn verwachtingen van de diabetes en de behandeling ervan verkennen, de reacties, met name emotioneel, op de diagnose bijhouden.

Bij diabetes type 2 is insulinetherapie alleen geïndiceerd als behandeling met orale diabetesmedicatie niet aanslaat. In tegenstelling tot diabetes type 1 is insulinetherapie bij diabetes type 2 niet van levensbelang, maar wel essentieel voor de stofwisselingsbalans. Desondanks wordt vaak laat begonnen met de behandeling vanwege het bestaan van meerdere belemmeringen zowel aan de kant van de patiënt als van de zorgverlener. De meest voorkomende redenen (5) bij patiënten zijn het definitieve karakter van de insulinetherapie, de ernst van de ziekte die de behandeling met insuline uitstraalt, de beperking die de behandeling met zich mee brengt, het risico van hypoglykemie en het gevoel van persoonlijk falen. De redenen die betrekking hebben op de injectie zelf zijn onder andere het gebrek aan zelfvertrouwen, de mogelijkheid om de genoemde injecties uit te voeren en de verwachting van pijn.

De ideeën van de patiënt over de ernst van zijn ziekte en over de behandeling spelen een belangrijke rol bij de acceptatie van behandeling met insuline bij diabetes type 2 (6). Zo zegt bijna de helft van de patiënten die nog geen insuline nemen dat hun ziekte niet ernstig genoeg is voor dit type behandeling. De aanvang van insulinetherapie markeert voor de patiënt een progressie van de ziekte, het falen van eerdere behandelingen en zelfs een persoonlijke mislukking. Insulinetherapie betekent voor de patiënt vaak dat hij er niet in is geslaagd de diabetes zelf onder controle te houden. Dat gevoel van mislukking kan worden versterkt als de arts met insuline heeft gedreigd om te proberen de patiënt te motiveren.

Angelsaksische auteurs spreken over weerstand tegen insulinetherapie (7). Onder deze term vallen ook de denkwijze van de patiënt met betrekking tot insulinetherapie, een gebrek aan vertrouwen in de benodigde competentie om de insulinetherapie uit te voeren, en een gebrek aan kennis van de patiënt. Patiënten kunnen deze belemmeringen alleen overwinnen als die worden erkend door de zorgverleners. Alleen met die erkenning kan worden gezocht naar een oplossing waarbij onder de best mogelijke omstandigheden met insulinetherapie kan worden begonnen. Als dat niet gebeurt, komt de therapietrouw van de patiënt in het gedrang. Ongeveer 30% van de patiënten begint dan ook helemaal niet met de behandeling of stopt er al heel snel weer mee (5). De patiënten geven daar als reden voor de beslissing om zich intensiever te houden aan voedingsadviezen en lichamelijke activiteit, angst voor injecties, de negatieve gevolgen voor het sociale en professionele leven, het definitieve karakter van de behandeling, de beperkingen die de behandeling oplevert en twijfel over het nut van insulinetherapie. Vaak hebben deze patiënten het gevoel dat ze onvoldoende informatie hebben gekregen over de voordelen en risico’s van insulinetherapie.

Daarbij komt het probleem met zorgverleners die op het gebied van injecties een optimale behandeling met insuline kunnen belemmeren. Allereerst is een goede medische kennis nodig van de indicaties en vormen van insulinetherapie, wat tegenwoordig bij medische zorg in de buurt steeds beter wordt. Maar goede medische kennis laat onverlet dat de zorgverlener het vermogen moet hebben om te herkennen welke belemmeringen de patiënt ondervindt bij het beginnen met insuline-injecties. Vaak staat de verwachting van pijn voorop, terwijl de psychologische aspecten, zoals het idee over de ernst van de ziekte of de beleving van behandeling met insuline als een verslaving, onbekend zijn (6). Van groot belang zijn de relatie tussen patiënt en zorgverlener voor het delen van beslissingen, informatie over de bijwerkingen van insulinetherapie en training in het uitvoeren van de injecties.

Over de therapietrouw van patiënten op lange termijn bij insulinetherapie, zowel bij diabetes type 1 als type 2, en de bepalende factoren is weinig bekend. In een recent onderzoek zegt meer dan de helft (57%) van de patiënten die met insuline worden behandeld wel eens insuline-injecties over te slaan waarvan ze weten dat ze nodig zijn. 20% doet dat regelmatig of vaak (2). De voorspellende factoren voor deze zwakke therapietrouw zijn een jongere leeftijd, een laag inkomen, een hoog opleidingsniveau, diabetes type 2, het niet opvolgen van voedingsadviezen, een groter aantal dagelijkse injecties, pijn bij de injectie en de last die daardoor wordt veroorzaakt en een grotere verstoring van het dagelijks leven door de injecties.

Vier factoren worden in het bijzonder benadrukt. Voor een deel gaat het over de verstoring door de injecties doordat activiteiten rondom de injecties moeten worden gepland, en de verstoringen door de injecties van de dagelijkse activiteiten. Als er een conflict ontstaat tussen het moeten uitvoeren van een insuline-injectie en een activiteit, moet de patiënt de activiteit aanpassen om de injectie te kunnen uitvoeren, of lost hij het conflict gewoon op door te besluiten geen injectie uit te voeren. Om ervoor te zorgen dat patiënten insulinetherapie minder als een last zien, moeten verzorgenden verder gaan dan alleen voorschrijven en informeren. Een van de belangrijkste problemen bij het zorgen voor patiënten die met insuline worden behandeld, is het goed kennen van de problemen die patiënten tegenkomen, ze begeleiden bij het zoeken naar persoonlijke oplossingen (8).

De twee andere factoren die de bron vormen van bepaalde problemen, hebben betrekking op het uitvoeren van de injecties: pijn en schaamte. Het bagatelliseren van de handeling en van de gevoelens van de patiënten komen te vaak voor, en patiënten geven aan dat zorgverleners zich onvoldoende interesseren voor de problemen die ze ondervinden. De erkenning van die problemen en het zoeken naar oplossingen zijn belangrijk voor het verbeteren van de therapietrouw. Het samen met de patiënt zoeken naar het beste injectie-instrument voor die patiënt wat betreft ergonomie, zichtbaarheid en gebruiksgemak verbetert het uitvoeren van de injecties, vooral buitenshuis en in het openbaar. En ook het opnieuw bekijken van de injectielocaties en het kiezen van het meest geschikte type naald zijn elementen die het uitvoeren van de injecties vergemakkelijken (9).

De risicofactoren met betrekking tot therapietrouw verschillen afhankelijk van het type diabetes. Bij diabetes type 1 zullen patiënten met een slechte levensstijl en een groot aantal dagelijkse injecties, en patiënten voor wie de verstoring van het dagelijks leven groot is, de injecties vaker overslaan. Bij diabetes type 2 zijn dat jongere patiënten en patiënten die zich slecht houden aan voedingsadviezen.

Het voorlichten van de patiënt over het uitvoeren van de injecties is daarom een cruciaal moment voor het ontwikkelen van een goede werkwijze. Daarvoor is het essentieel dat zorgverleners een hoog niveau van kennis en ervaring hebben op dit gebied. Bovendien moeten ze naast het beheersen van de injectietechniek met ook nog eens een groot aantal verschillende instrumenten, vaardigheden hebben op het gebied van communicatie en pedagogie.

Een ander leren om een handeling uit te voeren kan niet worden bedacht, en ook het begrijpen en beheersen van de vaak negatieve reacties en emoties bij het begin van de behandeling met insuline is even belangrijk en staat garant voor een goede uitvoering van injecties door de patiënt. Bovendien is het injecteren van insuline een handeling die vanzelf een gewoonte wordt. De gewoonte maakt het uitvoeren van deze herhaalde actie gemakkelijker. Het wordt een onderdeel van het dagelijks leven, wordt minder vaak vergeten en verbetert de therapietrouw. Maar de gewoonte kan ook een routine worden waarbij niet meer wordt nagedacht over de aanbevolen procedures, waardoor de handeling minder precies wordt en afwijkt van de aanbevelingen. Het is daarom ook belangrijk om regelmatig samen met de patiënt zijn injectietechniek te evalueren, adviezen door te nemen, alle stappen te herzien en zonder aarzeling informatie te herhalen.

Meer kennis over de ziekte en de behandelingen, en een betere mogelijkheid om gewoontes vast te houden en problemen in het dagelijks leven op te lossen, vooral met betrekking tot de behandeling, vergroten de therapietrouw bij insulinetherapie (10). Therapietrainingen helpen patiënten bij het ontwikkelen van dergelijke vaardigheden. Dat is al onmisbaar bij het aanleren van technische vaardigheden voor het beheersen van handelingen en technieken, maar ook om ervoor te zorgen dat de patiënt zich het gehele complexe proces eigen kan maken, van injectie tot beheersing van de bloedglucosespiegel en dus tot een goede stofwisselingsbalans. Het starten met en langdurig uitvoeren van insulinetherapie kan niet los worden gezien van het zorgproces en een persoonlijk opleidingstraject voor de patiënt. Dat is alleen mogelijk als de zorgverleners beschikken over de benodigde medische kennis, maar ook over onmisbare relationele, methodologische en pedagogische vaardigheden voor het begeleiden van de patiënt bij zijn eerste stappen om zich de insulinetherapie eigen te maken.

Dr. Helen Mosnier-Pudar, specialist
Afdeling Endocrinologie en stofwisselingsziekten
Hôpital Cochin – Parijs

Referenties
1. Goebel-Fabbri AE, Fikkan J, Franko DL, Pearson K, Anderson, BJ, Weinger K: Insulin restriction and associated morbidity and mortality in women with type 1 diabetes. Diabetes Care 2008;31:415–419.
2. Peyrot M, Rubin RR, Kruger DF, Travis LB: Correlates of insulin injection omission. Diabetes Care 2010;33:240–245.
3. Peyrot M, Rubin RR, Lauritzen T, Skovlund SE, Snoeck FJ, Matthews DR, Landgraf R, Kleinebreil L: Resistance to insulin therapy among patients and providers: results of the cross-national Diabetes Attitudes, Wishes and Needs (DAWN) study. Diabetes Care 2005;28:2673–2679.
4. Barnett AH, Meneghini LF, Schumm-Draeger P-M, Peyrot M: The GAPP (Global Attitudes of Patients and Physicians in Insulin Therapy) study: identifying risk factors associated with injection omission/non-adherence in insulin treated patients with type 1 and type 2 diabetes. Diabet Med 2012;29 (Supp 1):168.
5. Karter JK, Subramanian U, Saha C, Crosson JC, Parker MM, Swain BE, Moffet HH, Marrero DG: Barriers to insulin initiation: the Translating Research into Action for Diabetes Insulin Starts Project. Diabetes Care 2010;33:733–735.
6. Nakar S, Yitzhaki G, Rosenberg R, Vinker S: Transition to insulin in Type 2 diabetes: family physicians’ misconceptions of patients’ fears contribute to existing barriers. J Diabetes Complications 2007;21:220–226.
7. Polonsky WH, Fisher L, Guzman S, Villa-Caballero L, Edelman SV: Psychological insulin resistance in patients with type 2 diabetes. Diabetes Care 2005;28:2543–2545.
8. Peyrot M, Rubin RR. Behavioral and psychosocial interventions in diabetes: a conceptual review. Diabetes care 2007;30:2433-2440.
9. Rubin RR, Peyrot M, Kruger DF, Travis LB: Barriers to insulin injection therapy: patient and health care provider perspectives. Diabetes Educ 2009;35:1014–1022.
10. Link BG, Phelan JC, Miech R, Westin EI. The resources that matter fundemental social causes of health disparities and challenge of intelligence. J Health Soc Behav 2008;49:72-91.
[BD]

Diabetes type II