Wel of niet insuline injecteren?

BD Micro-Fine 4mm pennaaldHet belang van een geoptimaliseerd insulineschema voor het bereiken van een evenwichtige bloedglucosespiegel om zo het optreden van aan diabetes gerelateerde complicaties te voorkomen of te vertragen, wordt tegenwoordig door iedereen erkend. Dit resultaat kan alleen worden bereikt als de patiënt zich de behandeling eigen maakt en actief meewerkt, niet alleen bij het uitvoeren van de injecties, maar ook bij de zelfcontrole van de bloedglucosespiegel. Dit is onmisbaar voor het aanpassen van de insulinedoses en daarmee voor een goede beheersing van de bloedglucosespiegel. Ondanks het verbeterde injectiemateriaal, met name de naalden, blijft het naleven van de behandeling met injecties een uitdaging, vooral wat betreft insulinetherapie.

Een evenwichtige bloedglucosespiegel (bloedspiegel van hemoglobineglycaat – HbA1c, aanvallen van ketoacidose) is gecorreleerd aan het aantal uitgevoerde insuline-injecties (1). 20 tot 57% van de patiënten zegt volgens onderzoeken in het dagelijks leven het aantal insuline-injecties en de dosering te beperken (1-3). Uit een recent onderzoek blijkt dat dit in Frankrijk 19,9% is (4).
Er kunnen verschillende scenario’s worden beschreven, afhankelijk van het type diabetes en het moment in de ontwikkeling van de diabetes (diagnose, aanvang van insulinebehandeling bij diabetes type 2, behandeling op lange termijn…).

De aanvang van de behandeling met insuline vindt, afhankelijk van het type diabetes, plaats onder zeer verschillende omstandigheden. Bij diabetes type 1 valt de aanvang van de behandeling samen met het moment van de diagnose. We gaan hier niet gedetailleerd in op de voorwaarden voor het goed overbrengen van de diagnose. In het kort: het ritme van de patiënt in acht nemen, zijn verwachtingen van de diabetes en de behandeling ervan verkennen, de reacties, met name emotioneel, op de diagnose bijhouden.

Bij diabetes type 2 is insulinetherapie alleen geïndiceerd als behandeling met orale diabetesmedicatie niet aanslaat. In tegenstelling tot diabetes type 1 is insulinetherapie bij diabetes type 2 niet van levensbelang, maar wel essentieel voor de stofwisselingsbalans. Desondanks wordt vaak laat begonnen met de behandeling vanwege het bestaan van meerdere belemmeringen zowel aan de kant van de patiënt als van de zorgverlener. De meest voorkomende redenen (5) bij patiënten zijn het definitieve karakter van de insulinetherapie, de ernst van de ziekte die de behandeling met insuline uitstraalt, de beperking die de behandeling met zich mee brengt, het risico van hypoglykemie en het gevoel van persoonlijk falen. De redenen die betrekking hebben op de injectie zelf zijn onder andere het gebrek aan zelfvertrouwen, de mogelijkheid om de genoemde injecties uit te voeren en de verwachting van pijn.

De ideeën van de patiënt over de ernst van zijn ziekte en over de behandeling spelen een belangrijke rol bij de acceptatie van behandeling met insuline bij diabetes type 2 (6). Zo zegt bijna de helft van de patiënten die nog geen insuline nemen dat hun ziekte niet ernstig genoeg is voor dit type behandeling. De aanvang van insulinetherapie markeert voor de patiënt een progressie van de ziekte, het falen van eerdere behandelingen en zelfs een persoonlijke mislukking. Insulinetherapie betekent voor de patiënt vaak dat hij er niet in is geslaagd de diabetes zelf onder controle te houden. Dat gevoel van mislukking kan worden versterkt als de arts met insuline heeft gedreigd om te proberen de patiënt te motiveren.

Angelsaksische auteurs spreken over weerstand tegen insulinetherapie (7). Onder deze term vallen ook de denkwijze van de patiënt met betrekking tot insulinetherapie, een gebrek aan vertrouwen in de benodigde competentie om de insulinetherapie uit te voeren, en een gebrek aan kennis van de patiënt. Patiënten kunnen deze belemmeringen alleen overwinnen als die worden erkend door de zorgverleners. Alleen met die erkenning kan worden gezocht naar een oplossing waarbij onder de best mogelijke omstandigheden met insulinetherapie kan worden begonnen. Als dat niet gebeurt, komt de therapietrouw van de patiënt in het gedrang. Ongeveer 30% van de patiënten begint dan ook helemaal niet met de behandeling of stopt er al heel snel weer mee (5). De patiënten geven daar als reden voor de beslissing om zich intensiever te houden aan voedingsadviezen en lichamelijke activiteit, angst voor injecties, de negatieve gevolgen voor het sociale en professionele leven, het definitieve karakter van de behandeling, de beperkingen die de behandeling oplevert en twijfel over het nut van insulinetherapie. Vaak hebben deze patiënten het gevoel dat ze onvoldoende informatie hebben gekregen over de voordelen en risico’s van insulinetherapie.

Daarbij komt het probleem met zorgverleners die op het gebied van injecties een optimale behandeling met insuline kunnen belemmeren. Allereerst is een goede medische kennis nodig van de indicaties en vormen van insulinetherapie, wat tegenwoordig bij medische zorg in de buurt steeds beter wordt. Maar goede medische kennis laat onverlet dat de zorgverlener het vermogen moet hebben om te herkennen welke belemmeringen de patiënt ondervindt bij het beginnen met insuline-injecties. Vaak staat de verwachting van pijn voorop, terwijl de psychologische aspecten, zoals het idee over de ernst van de ziekte of de beleving van behandeling met insuline als een verslaving, onbekend zijn (6). Van groot belang zijn de relatie tussen patiënt en zorgverlener voor het delen van beslissingen, informatie over de bijwerkingen van insulinetherapie en training in het uitvoeren van de injecties.

Over de therapietrouw van patiënten op lange termijn bij insulinetherapie, zowel bij diabetes type 1 als type 2, en de bepalende factoren is weinig bekend. In een recent onderzoek zegt meer dan de helft (57%) van de patiënten die met insuline worden behandeld wel eens insuline-injecties over te slaan waarvan ze weten dat ze nodig zijn. 20% doet dat regelmatig of vaak (2). De voorspellende factoren voor deze zwakke therapietrouw zijn een jongere leeftijd, een laag inkomen, een hoog opleidingsniveau, diabetes type 2, het niet opvolgen van voedingsadviezen, een groter aantal dagelijkse injecties, pijn bij de injectie en de last die daardoor wordt veroorzaakt en een grotere verstoring van het dagelijks leven door de injecties.

Vier factoren worden in het bijzonder benadrukt. Voor een deel gaat het over de verstoring door de injecties doordat activiteiten rondom de injecties moeten worden gepland, en de verstoringen door de injecties van de dagelijkse activiteiten. Als er een conflict ontstaat tussen het moeten uitvoeren van een insuline-injectie en een activiteit, moet de patiënt de activiteit aanpassen om de injectie te kunnen uitvoeren, of lost hij het conflict gewoon op door te besluiten geen injectie uit te voeren. Om ervoor te zorgen dat patiënten insulinetherapie minder als een last zien, moeten verzorgenden verder gaan dan alleen voorschrijven en informeren. Een van de belangrijkste problemen bij het zorgen voor patiënten die met insuline worden behandeld, is het goed kennen van de problemen die patiënten tegenkomen, ze begeleiden bij het zoeken naar persoonlijke oplossingen (8).

De twee andere factoren die de bron vormen van bepaalde problemen, hebben betrekking op het uitvoeren van de injecties: pijn en schaamte. Het bagatelliseren van de handeling en van de gevoelens van de patiënten komen te vaak voor, en patiënten geven aan dat zorgverleners zich onvoldoende interesseren voor de problemen die ze ondervinden. De erkenning van die problemen en het zoeken naar oplossingen zijn belangrijk voor het verbeteren van de therapietrouw. Het samen met de patiënt zoeken naar het beste injectie-instrument voor die patiënt wat betreft ergonomie, zichtbaarheid en gebruiksgemak verbetert het uitvoeren van de injecties, vooral buitenshuis en in het openbaar. En ook het opnieuw bekijken van de injectielocaties en het kiezen van het meest geschikte type naald zijn elementen die het uitvoeren van de injecties vergemakkelijken (9).

De risicofactoren met betrekking tot therapietrouw verschillen afhankelijk van het type diabetes. Bij diabetes type 1 zullen patiënten met een slechte levensstijl en een groot aantal dagelijkse injecties, en patiënten voor wie de verstoring van het dagelijks leven groot is, de injecties vaker overslaan. Bij diabetes type 2 zijn dat jongere patiënten en patiënten die zich slecht houden aan voedingsadviezen.

Het voorlichten van de patiënt over het uitvoeren van de injecties is daarom een cruciaal moment voor het ontwikkelen van een goede werkwijze. Daarvoor is het essentieel dat zorgverleners een hoog niveau van kennis en ervaring hebben op dit gebied. Bovendien moeten ze naast het beheersen van de injectietechniek met ook nog eens een groot aantal verschillende instrumenten, vaardigheden hebben op het gebied van communicatie en pedagogie.

Een ander leren om een handeling uit te voeren kan niet worden bedacht, en ook het begrijpen en beheersen van de vaak negatieve reacties en emoties bij het begin van de behandeling met insuline is even belangrijk en staat garant voor een goede uitvoering van injecties door de patiënt. Bovendien is het injecteren van insuline een handeling die vanzelf een gewoonte wordt. De gewoonte maakt het uitvoeren van deze herhaalde actie gemakkelijker. Het wordt een onderdeel van het dagelijks leven, wordt minder vaak vergeten en verbetert de therapietrouw. Maar de gewoonte kan ook een routine worden waarbij niet meer wordt nagedacht over de aanbevolen procedures, waardoor de handeling minder precies wordt en afwijkt van de aanbevelingen. Het is daarom ook belangrijk om regelmatig samen met de patiënt zijn injectietechniek te evalueren, adviezen door te nemen, alle stappen te herzien en zonder aarzeling informatie te herhalen.

Meer kennis over de ziekte en de behandelingen, en een betere mogelijkheid om gewoontes vast te houden en problemen in het dagelijks leven op te lossen, vooral met betrekking tot de behandeling, vergroten de therapietrouw bij insulinetherapie (10). Therapietrainingen helpen patiënten bij het ontwikkelen van dergelijke vaardigheden. Dat is al onmisbaar bij het aanleren van technische vaardigheden voor het beheersen van handelingen en technieken, maar ook om ervoor te zorgen dat de patiënt zich het gehele complexe proces eigen kan maken, van injectie tot beheersing van de bloedglucosespiegel en dus tot een goede stofwisselingsbalans. Het starten met en langdurig uitvoeren van insulinetherapie kan niet los worden gezien van het zorgproces en een persoonlijk opleidingstraject voor de patiënt. Dat is alleen mogelijk als de zorgverleners beschikken over de benodigde medische kennis, maar ook over onmisbare relationele, methodologische en pedagogische vaardigheden voor het begeleiden van de patiënt bij zijn eerste stappen om zich de insulinetherapie eigen te maken.

Dr. Helen Mosnier-Pudar, specialist
Afdeling Endocrinologie en stofwisselingsziekten
Hôpital Cochin – Parijs

Referenties
1. Goebel-Fabbri AE, Fikkan J, Franko DL, Pearson K, Anderson, BJ, Weinger K: Insulin restriction and associated morbidity and mortality in women with type 1 diabetes. Diabetes Care 2008;31:415–419.
2. Peyrot M, Rubin RR, Kruger DF, Travis LB: Correlates of insulin injection omission. Diabetes Care 2010;33:240–245.
3. Peyrot M, Rubin RR, Lauritzen T, Skovlund SE, Snoeck FJ, Matthews DR, Landgraf R, Kleinebreil L: Resistance to insulin therapy among patients and providers: results of the cross-national Diabetes Attitudes, Wishes and Needs (DAWN) study. Diabetes Care 2005;28:2673–2679.
4. Barnett AH, Meneghini LF, Schumm-Draeger P-M, Peyrot M: The GAPP (Global Attitudes of Patients and Physicians in Insulin Therapy) study: identifying risk factors associated with injection omission/non-adherence in insulin treated patients with type 1 and type 2 diabetes. Diabet Med 2012;29 (Supp 1):168.
5. Karter JK, Subramanian U, Saha C, Crosson JC, Parker MM, Swain BE, Moffet HH, Marrero DG: Barriers to insulin initiation: the Translating Research into Action for Diabetes Insulin Starts Project. Diabetes Care 2010;33:733–735.
6. Nakar S, Yitzhaki G, Rosenberg R, Vinker S: Transition to insulin in Type 2 diabetes: family physicians’ misconceptions of patients’ fears contribute to existing barriers. J Diabetes Complications 2007;21:220–226.
7. Polonsky WH, Fisher L, Guzman S, Villa-Caballero L, Edelman SV: Psychological insulin resistance in patients with type 2 diabetes. Diabetes Care 2005;28:2543–2545.
8. Peyrot M, Rubin RR. Behavioral and psychosocial interventions in diabetes: a conceptual review. Diabetes care 2007;30:2433-2440.
9. Rubin RR, Peyrot M, Kruger DF, Travis LB: Barriers to insulin injection therapy: patient and health care provider perspectives. Diabetes Educ 2009;35:1014–1022.
10. Link BG, Phelan JC, Miech R, Westin EI. The resources that matter fundemental social causes of health disparities and challenge of intelligence. J Health Soc Behav 2008;49:72-91.
[BD]

Diabetes type II

Máxima Medisch Centrum werkt aan diabetesgame voor ouderen

Maxima Medisch Centrum Máxima Medisch Centrum (MMC) heeft een weekend lang gewerkt aan het ontwikkelen van een Diabetes Game; samen met studenten van de TU/e werd in een lange brainstorm technologie op een creatieve manier ingezet om te werken aan de Eindhoven Diabetes Education Simulator, de E-DES. Het doel van de competitie is om de kwaliteit van leven van patiënten met Diabetes type II te verbeteren. Diabetes type II komt vooral voor bij ouderen.

Anne Maas is projectleider vanuit MMC en werkt samen met de TU/e aan de E-DES. “Patiënten die diabetes type II hebben, zijn vaak al wat ouder. Hun leven verandert drastisch; ze krijgen veel nieuwe informatie, moeten hun bloedsuikerspiegel testen en leren hoe zij reageren op voedsel en op inspanning. Het is dus belangrijk om ze daarbij te helpen. Daarom helpen we onze patiënten zo goed mogelijk. De E-DES is daarom een nuttige innovatie.”

Diabetesgame als bordspel
Twintig ontwikkelaars werkten een weekend lang aan de ontwikkeling aan de diabetesgame in de vorm van een competitie. Vrijdagmiddag was de start met een introductie van de ziekte diabetes, gevolgd door interviews met patiënten, specialisten en verpleegkundigen. Daarna werd in groepjes gewerkt aan het bedenken en bouwen van apps. De ene app houdt rekening met het hongergevoel, de andere richt zich juist meer op de kleinkinderen. De winnende app ziet eruit als een soort bordspel, waardoor het extra uitdagend wordt om ermee aan de slag te gaan.

Innovatie en diabetes
MMC zet voortdurend innovatie in om de kwaliteit van de zorg verder te verbeteren. Vaak gebeurt dat in samenwerking met de TU/e. Ouderen zijn actief op internet, beschikken vaak over een tablet en dus is de stap naar de ontwikkeling van een diabetesgame een logische.

Diabetes Type II
Bij diabetes type 2 reageert het lichaam niet meer goed op insuline. Dat is het hormoon dat de bloedsuikerspiegel regelt. De insuline is als het ware onzichtbaar, en kan zijn werk niet doen. Daardoor blijft er te veel suiker in je bloed zitten. Eerst maakt het lichaam extra insuline aan, maar na verloop van tijd steeds minder. De behandeling bestaat uit gezond eten, veel bewegen en vaak ook medicijnen voor bloedsuiker, bloeddruk en cholesterol. Soms moet een patiënt met insuline spuiten bij zichzelf.
[Máxima Medisch Centrum]

Diabetes type II, Diabeteszorg

Minder diabetes type-2 bij erfelijke vorm van verhoogd cholesterol

insuline injectieDiabetes type-2 komt minder voor bij mensen met familiaire hypercholesterolemie, een erfelijke aandoening gekenmerkt door een verhoogd cholesterolgehalte. Dit is ontdekt door onderzoekers van de afdeling Vasculaire Geneeskunde van het AMC. De resultaten openen een nieuwe weg in de zoektocht naar medicijnen tegen diabetes-2. Het onderzoek is dinsdag gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift JAMA.

‘We hebben dit onderzocht bij een specifieke patiëntengroep, maar het is een duidelijke aanwijzing dat de stofwisseling van cholesterol van invloed is op de aanmaak van insuline in de alvleesklier. Dat biedt mogelijk aanknopingspunten voor nieuwe medicijnen tegen diabetes-2’, zegt dr. Kees Hovingh, staflid bij de afdeling Vasculaire Geneeskunde in het AMC.

Het vermoeden dat de stofwisseling van cholesterol een link heeft met diabetes-2, bestond al langer. Van statines (cholesterolverlagende medicijnen) is bekend dat ze de kans op diabetes-2 vergroten. De reden hiervoor is onduidelijk. Een theorie is dat statines de opname van cholesterol in alvleeskliercellen stimuleren en dat daardoor de aanmaak van insuline in de alvleesklier (eilandjes van Langerhans) wordt geremd. In patiënten met diabetes-type 2 maakt de alvleesklier geleidelijk minder insuline aan waardoor de suikerhuishouding in het lichaam verstoord raakt.

De hypothese is onderzocht door het vóórkomen van diabetes-2 bij mensen met een erfelijk verhoogd cholesterol te vergelijken met familieleden zonder verhoogd cholesterol. Wat bleek? De groep met een hoog cholesterol had 51 procent minder kans op diabetes type-2. Dat heeft volgens de onderzoekers te maken met een defect (mutatie) in het gen dat betrokken is bij de aanmaak van het zogenoemde ‘slechte’ cholesterol LDL. Dat is een sterke aanwijzing dat de cholesterol-stofwisseling in alvleeskliercellen inderdaad van invloed is op de productie van insuline.
Als andere studies deze bevindingen bevestigen, biedt het mogelijkheden voor een nieuwe benadering van de behandeling van diabetes type-2.
[Academisch Medisch Centrum]

Diabetes type II, Diabetesonderzoek

Wandel Type 1 Diabetes de wereld uit op de JDRF Walk!

Een wereld zonder Type 1 Diabetes, wie wil dat nou niet?

JDRF diabetesOp 13 juni 2015 zet Stichting JDRF Nederland stappen om deze droom werkelijkheid te laten worden tijdens de JDRF Walk: een prachtig evenement met als doel om zoveel mogelijk geld op te halen voor Type 1 Diabetes onderzoek.

De JDRF Walk is een symbolische wandeling van Type één naar Type géén. Naast de wandeling is er van alles te beleven op Slot Zeist:

  • Sportclinics van topsporters waaronder hockeyinternational Valerie Magis (zelf T1D)
  • Wetenschappers vertellen over hun onderzoek
  • De nieuwste diabetessnufjes zijn te bewonderen op de infomarkt
  • Heerlijk picknicken onder de zon bij de foodmarket en live band
  • Een wereldrecordpoging ‘De meeste personen die gelijktijdig hun bloedglucose meten’

Mee doen?
Je kan je aanmelden via www.jdrfwalk.nl. Daar start je een actie of team waarmee jij iedereen kan vragen om bij te dragen aan een wereld zonder Type 1 Diabetes. Op 13 juni 2015 kom je naar Slot Zeist voor een geweldige dag vol sport, spel, wetenschap en gezelligheid.

Meer informatie?
Kijk op www.jdrfwalk.nl.

[Stichting JDRF Nederland]

Diabetes type I

Betere kwaliteit van diabeteszorg met scholing voor zorgplan

diabeteszorgEen project om met het individueel zorgplan zelfmanagement onder diabetespatiënten te versterken, verbetert de kwaliteit van zorg. Maar na krap een jaar zijn er nog geen aanwijzingen te vinden voor een verbeterde kwaliteit van leven of meer zelfmanagement.

In de zorg voor chronisch zieken ligt momenteel de nadruk op ‘zelfmanagement’, wat zij zelf kunnen en zelf doen. In de praktijk komt zelfmanagement echter nog maar moeizaam van de grond. Zorgverleners moeten patiënten daarbij ondersteunen en een individueel zorgplan (IZP) kan daarbij helpen.

Lees verder op de website van het NIVEL.

Diabeteszorg

Aantal patiënten met kanker én diabetes neemt sterk toe

insuline injectieHet aantal mensen met kanker én diabetes type 2 is in Nederland sterk toegenomen. Inmiddels heeft bijna één op de vijf kankerpatiënten op het moment van kankerdiagnose ook al diabetes. Dit gegeven was aanleiding voor een proefschrift naar de relatie tussen kanker en diabetes, waarop Marjolein Zanders (IKNL) vrijdag 6 februari 2015 promoveert aan Tilburg University. Diabetespatiënten lijken ook vaker te overlijden na de diagnose kanker dan kankerpatiënten zonder diabetes. Zanders onderzocht de verschillen in behandeling en medicijngebruik om hierin meer inzicht te krijgen.

Het aantal mensen dat kanker overleeft, is de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. In 2009 waren er in Nederland meer dan 400.000 mensen die ooit de diagnose kanker hebben gehad. In 2020 zal dit aantal zijn opgelopen tot meer dan 700.000. Dit komt vooral doordat het aantal ouderen in de Nederlandse bevolking toeneemt en mensen op hogere leeftijd kanker krijgen.

Naast de toename van het totale aantal neemt ook het aantal patiënten toe met diabetes op het moment van een diagnose kanker. In de afgelopen 15 jaar is het aantal kankerpatiënten met diabetes in Nederland zelfs meer dan verdubbeld. Patiënten met diabetes én kanker lijken daarnaast vaker te overlijden dan kankerpatiënten zonder diabetes.

Daarom is het volgens arts-onderzoeker Marjolein Zanders van groot belang om beter inzicht te krijgen welke factoren bijdragen aan de hogere kans op overlijden van kankerpatiënten mét diabetes ten opzichte van kankerpatiënten zonder diabetes.

Minder chemotherapie en minder therapietrouw
Uit de studies die de promovenda verrichtte, blijkt dat patiënten met de combinatie dikkedarmkanker én diabetes nog steeds minder vaak chemotherapie krijgen in vergelijking met kankerpatiënten zónder diabetes. Dit ondanks de constatering dat de toediening van chemotherapie en radiotherapie tussen 1995 en 2010 onder beide patiëntengroepen sterk is toegenomen. Diabetespatiënten krijgen mogelijk na een kankerbehandeling vaker complicaties hiervan, dus het kan een adequate keuze zijn deze patiënten niet te behandelen.
Opmerkelijk is dat het trouw zijn aan het gebruik van glucoseverlagende middelen onder mensen met diabetes lijkt te verslechteren na het stellen van de kankerdiagnose. De grootste daling in het trouw zijn aan het gebruik van glucoseverlagende middelen werd waargenomen bij patiënten met een diagnose maagdarmkanker, longkanker of uitgezaaide kanker. De oorzaak van deze afnemende therapietrouw is nog niet opgehelderd en moet nog nader onderzocht worden. Marjolein Zanders: “Het kan betekenen dat deze patiënten het gevecht tegen de ziekte ‘kanker’ belangrijker vinden, dan het adequaat slikken van glucoseverlagende middelen.”

Cholesterolverlagers lijken overleving te verbeteren
Meer dan de helft van de patiënten met diabetes én kanker gebruikt cholesterolverlagers. Uit het onderzoek van Marjolein Zanders blijkt dat het gebruik van cholesterolverlagers de kans om dikkedarmkanker te overleven lijkt te verbeteren bij diabetespatiënten. Deze uitkomst ziet er veelbelovend uit en zou volgens haar prioriteit moeten krijgen op de onderzoeksagenda. De promovenda is inmiddels zelf gestart met een vervolgstudie, waarin zij nagaat of cholesterolverlagers ook de kans op terugkeer van kanker bij patiënten met dikkedarmkanker gunstig beïnvloedt.

Kankerregistratie, ziekenhuizen en PHARMO
Voor de studies in het proefschrift is gebruik gemaakt van gegevens van patiënten in Zuidoost-Nederland afkomstig van de Nederlandse Kankerregistratie van Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) in combinatie met gegevens over geneesmiddelengebruik uit de databanken van het PHARMO Instituut. De studie was mogelijk dankzij de medewerking van specialisten in tien ziekenhuizen in Brabant en Noord-Limburg.
[Integraal Kankercentrum Nederland]

Diabetes type II

Gezondheid diabetespatiënten op de tweede plaats

diabetes bloedglucoseGoede diabeteshulpmiddelen zijn voor een groot deel van de bijna 1 miljoen mensen met diabetes in Nederland van levensbelang om de juiste bloedsuikerwaarde te meten. Diabetesvereniging Nederland signaleert dat zorgverzekeraars, apothekers en hulpmiddelenleveranciers in toenemende mate de keuze voor een bloedglucosemeter bepalen, in plaats van de zorgverlener samen met de patiënt. Dat melden niet alleen patiënten en artsen, maar ook klokkenluiders uit de apothekerswereld. Kosten en marges zijn dan leidend, en niet wat het beste bij de patiënt past. Zorgwekkend, vindt de Diabetesvereniging: het zet de gezondheid van patiënten op de tweede plaats.

Maatwerk
Daar komt bij dat de nadruk op kosten en marges de deur wijd openzet voor prijsvechters uit de industrie. Opmerkelijk genoeg is er geen onafhankelijke kwaliteitscontrole voor bloedglucosemeters. Het gevaar bestaat dat er meters op de markt komen die onvoldoende betrouwbaar zijn, met gezondheidsrisico’s voor de patiënt als gevolg. Diabetesvereniging Nederland vindt dit onaanvaardbaar. Directeur Olof King: “Waar het rekenen begint, houdt het denken op. Patiënten moeten die hulpmiddelen kunnen gebruiken die ze nodig hebben. Dat is maatwerk. De keuze voor een bloedglucosemeter hoort daarom in de spreekkamer thuis. En de kwaliteit van glucosemeters en teststrips is van levensbelang, daar moet je vanzelfsprekend op kunnen vertrouwen.”

In actie
Diabetesvereniging Nederland komt in actie, gesteund door diabeteszorgverleners. Met de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft de Diabetesvereniging intensief contact over strengere toelatingseisen voordat een glucosemeter op de markt komt. Ook gaat zij met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) in gesprek. “Samen met zorgverleners organiseren we op korte termijn een bijeenkomst, waarvoor we zorgverzekeraars, apotheken, hulpmiddelenleveranciers en fabrikanten uitnodigen”, licht directeur King toe. “Met al deze partijen willen we ervoor zorgen dat de patiënt de beschikking heeft over goede hulpmiddelen die passen bij zijn situatie.”

Meer over diabeteshulpmiddelen
In het artikel Ken uw rechten leggen we uit hoe het zit met de vergoeding van bloedglucosemeters en teststrips.
[Diabetesvereniging Nederland]

Diabeteszorg

Onderzoek wijst uit dat een betere insuline-injectietechniek de bloedglucosecontrole bij diabetespatiënten verbetert

BD Micro-Fine 4mm pennaaldUit een recent onderzoek uitgevoerd door Grassi et al. blijkt dat de bloedglucosecontrole bij diabetespatiënten die insuline injecteren verbeterd kan worden door een betere injectietechniek. Dit houdt o.m. in dat patiënten omschakelen naar 4 mm pennaalden.

De resultaten toonden aan dat voorlichting over injectietechnieken niet alleen een betere bloedglucosecontrole oplevert, maar ook tot een grotere tevredenheid over de behandeling leidt. Bovendien wordt al na drie maanden het dagelijkse insulineverbruik verminderd, m.a.w. een relatief korte termijn. Deze positieve bevindingen zijn essentieel omdat ze kunnen bijdragen tot een betere therapietrouw, en in dat geval ook tot betere klinische resultaten op de lange termijn. Zo kunnen de kosten binnen de diabeteszorg worden gedrukt en kan de efficiëntie worden verhoogd.

Volgens de onderzoekers bespreken insuline-injecterende patiënten tijdens hun doktersbezoek hun bloedglucosecontrole en aanpassingen van de insulinedosis, maar is er slechts weinig aandacht voor het verbeteren van de injectietechniek. Het onderzoek spitste zich daarom toe op een multimodale benadering, met inbegrip van training in injectietechnieken en het gebruik van kortere naalden. Het doel was om aan te tonen dat beide een belangrijke rol spelen in de behandeling van diabetes.

Uit de resultaten bleek dat een aanzienlijk aantal patiënten het belang van een goede injectietechniek begon in te zien. Patiënten gingen hun injecties correcter uitvoeren, waarbij de meeste bij gebruik van 4 mm pennaalden geen huidplooien meer maakten. De 4 mm pennaalden zijn geschikt bevonden voor de insulinebehandeling van volwassenen, ongeacht hun BMI, alsook voor die van kinderen en jongeren. De insuline wordt namelijk op een betrouwbare manier in het onderhuidse weefsel geïnjecteerd zonder risico op een intramusculaire injectie. Patiënten meldden dat de injectie met een 4 mm pennaald minder pijnlijk is, wat de therapietrouw, het psychische comfort en de levenskwaliteit ten goede komt.

Enkele andere klinische tests waarbij verschillende naaldlengten en -dikten werden onderzocht, toonden al eerder de voordelen aan van kortere en fijnere naalden in vergelijking met langere naalden. Maar in deze onderzoeken was echter geen verbetering van de glucosecontrole merkbaar. Grassi et al. is dan ook het eerste gepubliceerde onderzoek dat aantoont dat een correcte injectietechniek bijdraagt tot een betere bloedglucosecontrole.

Dr. Ken Strauss, Director of Safety in Medicine, European Medical Association, Global Medical Director van BD en co-auteur van het onderzoek, licht toe: “De bevindingen van het Grassi et al. onderzoek zijn treffend. Patiënten en professionals hoeven geen maanden of jaren te wachten om een verbetering in de belangrijkste klinische parameters (bloedglucosecontrole en minder insuline) te zien wanneer zij adequate training in injectietechnieken en de juiste injectiehulpmiddelen ontvangen. Verbeteringen kunnen al in het begin van de insulinebehandeling worden verwacht. Een continue verbetering zorgt ervoor dat patiënten meer gemotiveerd zijn.”

“De onderzoeksresultaten tonen duidelijk aan dat een multimodale benadering, met inbegrip van voorlichting over injectietechnieken en het gebruik van BD 4 mm pennaalden, een groot verschil kan maken. Niet alleen zorgt het voor een betere bloedglucosecontrole, maar de patiënten konden ook hun insulineverbruik verminderen door de juiste injectietechniek toe te passen. Hierdoor wordt de behandeling van diabetes vereenvoudigd en de levenskwaliteit verbeterd.”

Na een eerste onderzoek startte elke patiënt met het gebruik van een BD 4 mm 32G pennaald en leerde hij de juiste injectietechniek aan. Na een periode van drie maanden werden de patiënten opnieuw onderzocht. Hierbij werden de injectietechniek, de injectieplaatsen en hun psychologische reactie op de klinische impact van de 4 mm pennaald geëvalueerd.

Aan het einde van het onderzoek bleek dat de meeste patiënten een beter inzicht hadden verworven in de beschikbare injectiemiddelen, de zorg voor en het onderhoud van injectieplaatsen, de manieren om complicaties zoals lipohypertrofie te vermijden en de noodzaak om injectieplaatsen te roteren.

Methodologie
Voor het onderzoek hebben 346 diabetespatiënten in 18 ambulante centra door heel Noord-Italië die minimaal vier jaar lang insuline hebben geïnjecteerd een vragenlijst ingevuld over hun injectietechniek (IT). Vervolgens onderzocht de verpleegster de injectieplaatsen van de patiënt op lipohypertrofie (LH), gevolgd door een individuele trainingssessie waarin suboptimale IT-praktijken werden behandeld die in de vragenlijst naar voren kwamen. Alle patiënten leerden om op de juiste manier plaatsen te roteren om LH te voorkomen en gebruikten 4 mm pennaalden (PN) om intramusculaire (IM) injecties te voorkomen. Ze werden geïnstrueerd om de naalden niet te hergebruiken. De patiënten werden na de eerste drie maanden geëvalueerd om hun IT, veranderingen in klinische parameters, de conditie van hun injectieplaatsen en hun psychologische reactie op en klinische impact van de 4 mm PN vast te stellen.
[Nieuwsbericht BD]

Diabetes type II