Leefstijlprogramma MMC maakt mensen met suikerziekte ‘beter’

glucosemeterMensen die lijden aan suikerziekte worden aantoonbaar beter van een programma om een gezondere leefstijl aan te meten. Patiënten die een strikt dieet krijgen in combinatie met fysieke inspanning, gedragstherapie en onderwijs hebben minder insuline nodig, verliezen gewicht en voelen zich beter. Dat is de conclusie van medisch wetenschappelijk onderzoek door internisten van Máxima Medisch Centrum in de regio Eindhoven.

“Het lijkt een open deur: bewegen en niet te veel eten is voor iedereen goed. Maar dat we nu in medisch wetenschappelijk onderzoek hebben kunnen aantonen dat de gezondheidswinst voor met name diabetes patiënten zo groot is, biedt nieuwe perspectieven”, zegt Dr. L. Lieverse, internist en één van de onderzoekers van Máxima Medisch Centrum. “Met deze nieuwe methode kunnen we meer mensen op een effectieve manier behandelen.”

Het aantal mensen met suikerziekte (diabetes mellitus) neemt sterk toe. De verwachting is dat deze trend de komende jaren zal doorzetten. Mensen met suikerziekte hebben medicatie nodig voor hun ziekte en de risico’s op andere hart en vaatziekten zijn fors verhoogd. Suikerziekte is het een chronische ziekte die steeds erger wordt. Hierdoor hebben patiënten steeds meer medicatie nodig.

Overgewicht en een ongezonde leefstijl zorgen er echter voor dat de achteruitgang door ziekte sneller gaat en medicijnen minder goed werken (insuline resistentie). Het verliezen van gewicht en verbeteren van de conditie is echter voor veel van deze mensen een moeizaam gevecht.

Máxima Medisch Centrum heeft nog ruimte voor mensen die aan het succesvolle programma willen meedoen. Aanmelden kan via telefoonnummer: (040) 888 63 00.
[Máxima Medisch Centrum]

Invoering zorgstandaard voor diabetes nog niet voldoende

diabeteszorg“Implementatie zorgstandaard Diabetes na vier jaar onvoldoende gevorderd”
De keten van zorgverleners rond een diabetespatiënt werkt nog op veel plaatsen niet volgens de zorgstandaard. De patiënt staat nog vaak niet centraal. Vooral op langere termijn brengt dat risico’s voor de patiënt met zich mee. Dat blijkt uit onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) naar de mate waarin zorggroepen de zorgstandaard Diabetes hebben ingevoerd.

Aanleiding en belang
Een veelbelovende aanpak bij het waarborgen van de kwaliteit van zorg voor chronisch zieken is het aanbieden van multidisciplinaire zorg in ketens. In 2007 bracht de Nationale Diabetes Federatie (NDF) de zorgstandaard Diabetes type 2 uit. Door te werken volgens de zorgstandaard zullen zorggroepen de risico’s naar verwachting beter kunnen beheersen, zal de kwaliteit van de zorg voor diabetes-type-II-patiënten verbeteren en de gezondheidsschade verminderen.

Zorgaanbieders hebben inmiddels enkele jaren de tijd gehad om de zorgstandaard te implementeren. De IGZ onderzocht in hoeverre dat geslaagd is en keek daarbij specifiek naar de rol van zorggroepen omdat die zijn opgericht om de kwaliteit van chronische zorg te verbeteren.

Conclusies
De invoering van de zorgstandaard Diabetes is nog niet volledig geslaagd. Enkele zorggroepen zijn intensief bezig met implementeren, maar een groot aantal zorggroepen staat nog aan het begin. De zorggroepen hebben een aantal zaken goed geregeld. Zorgverleners hebben zich georganiseerd en afspraken met ketenpartners gemaakt over doorverwijzing. Zorggroepen hebben voor scholing voor zorgverleners georganiseerd in het ondersteunen van zelfmanagement bij patiënten en kwaliteitsgegevens verzameld.

De inspectie concludeert echter dat de patiënt nog niet echt centraal staat. Bijna geen enkele zorggroep maakt gebruik van multidisciplinaire patiëntendossiers en individuele zorgplannen. Ook krijgen patiënten weinig daadwerkelijke ondersteuning bij zelfmanagement. Daarnaast zijn er veel problemen rondom de geautomatiseerde (keten)informatiesystemen en de financiering van de diabeteszorg volgens de zorgstandaard. De inspectie is van opvatting dat bij een goede naleving van de zorgstandaard de kwaliteit van zorg verbetert en patiënten minder kans lopen op gezondheidsschade. Zorggroepen moeten daarom meer energie steken in het werken volgens de zorgstandaard.

Kijk voor meer informatie en het volledige onderzoeksrapport op de website van het IGZ.

Scheper Ziekenhuis leert jongeren diabetes hanteren

kinderdiabetesHulp bij overgang van kinder- naar volwassenengeneeskunde
Het Scheper Ziekenhuis is gestart met een werkwijze die de overgang van jongeren met diabetes van de kinder- naar de volwassenengeneeskunde soepel laat verlopen. In de praktijk blijkt namelijk regelmatig dat jongeren niet goed zijn voorbereid op de overstap naar de volwassen vorm van hulpverlening. Gevolg is dat zij minder of niet meer op controle komen. De kinderartsen, internisten, diabetesverpleegkundigen, psychologen en diëtisten van het Emmense ziekenhuis bereiden jongeren daarom voor op en bieden ondersteuning bij het leren hanteren van hun chronische aandoening.

Het voorbereidingsproces start zodra de jongere de lagere school verlaat. Hij komt vanaf dat moment voor een deel alleen, dus zonder ouder, op consult bij de kinderarts of de kinderdiabetesverpleegkundige. Rond het vijftiende levensjaar ontvangt de jongere een uitnodiging voor de adolescentiepoli: een speciale polikliniek waarbij in groepsverband gesproken wordt over onderwerpen die voor jongeren met diabetes belangrijk zijn. De gesprekken gaan bijvoorbeeld over seksualiteit en zwangerschap, roken, alcohol en drugs en over complicaties door diabetes. Ook praktische zaken zoals rijbewijs en verzekeringen komen aan de orde. Tijdens de bijeenkomsten kan de jongere kennismaken met de internist en de diabetesverpleegkundige van de volwassenenzorg. Als de jongere er aan toe is, meestal wanneer hij tussen de 18 en 24 jaar oud is, wordt de overstap naar de volwassenenzorg gemaakt.

Diabetes
Diabetes mellitus is een aandoening waarbij door een tekort aan het hormoon insuline de hoeveelheid suiker in het bloed te hoog is. Jaarlijks behandelt de polikliniek Kindergeneeskunde van het Scheper Ziekenhuis zo’n zeventig kinderen en jongeren met diabetes. Het ziekenhuis maakt deel uit van samenwerkingsverband Diabij, een samenwerkingsverband van ziekenhuizen in Drenthe en Noord-Overijssel voor kinderen met diabetes.
[Scheper Ziekenhuis]

Kinderdiabetesteams in Amsterdam onder één dak

Diaboss - diabetes de baasDe kinderdiabetesteams van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG), het BovenIJ ziekenhuis en Sint Lucas Andreas Ziekenhuis hebben een belangrijke stap gezet in het verbeteren van de kinderdiabeteszorg in Amsterdam. Voortaan werken zij samen in een eigen behandelcentrum, Diaboss, gevestigd bij het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. In behandelcentrum Diaboss worden kinderen en jongvolwassenen met diabetes niet alleen behandeld, zij kunnen ook persoonlijke begeleiding krijgen.

In behandelcentrum Diaboss kunnen kinderen en jongvolwassenen met diabetes terecht bij een team, bestaande uit kinderartsen, diabetesverpleegkundigen, diëtistes, psychologen en maatschappelijk werkers. “Steeds meer kinderen en jongvolwassenen krijgen diabetes”, aldus Kete Ramaker, kinderarts en één van de initiatiefneemsters van Diaboss. “Door onze krachten te bundelen bieden wij gespecialiseerde zorg. Dat is uniek in Amsterdam. “Bij Diaboss worden kinderen en jongvolwassenen tot 18 jaar behandeld, maar het centrum biedt ook opleidingsplekken voor toekomstige specialisten.

Kinderen en jongvolwassenen krijgen, indien gewenst, naast hun medische behandeling samen met hun ouders of andere betrokkenen ook persoonlijke begeleiding binnen Diaboss. Ramaker: “Dat is belangrijk, want diabetes is een lastige en intensieve aandoening. We willen onze patiënten coachen en kennis over diabetes meegeven, zodat zij de controle houden over de diabetes en een zo gewoon mogelijk leven kunnen leiden. Vooral voor kinderen en jongvolwassenen erg belangrijk, want ze hebben nog een heel leven voor de boeg.”

Drie poli’s onder één dak
Diaboss zit in een eigen gebouw op het terrein van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. Daar zijn de kinderdiabetespoliklinieken uit het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis, OLVG en het BovenIJ ziekenhuis voortaan gevestigd. Kijk voor meer informatie op www.Diaboss.nl.

Bloedsuikerwaarden versturen via je smartphone in Ziekenhuis Gelderse Vallei

apple iphoneJe pakt een glucosemeter, prikt een druppel bloed en stuurt de waarde via je smartphone naar de kinderarts of kinderdiabetesverpleegkundige, die jouw bloedsuikerwaarden controleert en daarover adviseert. Een groep van 10 tieners met diabetes kreeg afgelopen week in Ziekenhuis Gelderse Vallei een smartphone uitgereikt en gaat nu zelf hun bloedwaarden doorsturen.

Een goed voorbeeld van vooruitstrevende kinderdiabeteszorg. Het meet en weetsysteem voor uitwisseling van gegevens ‘BLink’, is een e-Zorg project van Ziekenhuis Gelderse Vallei, die steeds meer nieuwe manieren van zorg met behulp van internet-technologie ontwikkelen.

De groep 12 tot 18 jarigen ging tijdens een startbijeenkomst meteen aan de slag met hun smartphone. Kinderarts Gert Jan van der Burg instrueerde de diabetespatiënten hoe zij de App BLink moeten gebruiken. Hij constateert met genoegen: ‘De ‘BLink-testers’ zijn erg enthousiast en hun ouders ook! Zij zijn een van de eerste kinderen in Nederland die met hun smartphone werken om zo goed mogelijk ingesteld te zijn en blijven op insuline. Dit is een heel belangrijke vernieuwing in de zorg.’

Hoe werkt BLink?
Met zijn smartphone stuurt de diabetespatiënt de glucosewaarden via een bluetoothmodule naar Patient1. Dit is een persoonlijk digitaal patiëntendossier met een diabetesdagboekje. Dat dagboekje is weer gekoppeld aan het patiëntendossier in Ziekenhuis Gelderse Vallei. De kinderdiabetesverpleegkundige of kinderarts beoordeelt de bloedwaarden uit het diabetesdagboek en stuurt een bericht met een advies terug. De jongere met diabetes bekijkt het advies via de smartphone (of computer). Zo’n advies gaat bijvoorbeeld over het aanpassen van de medicatie of voeding of een leefstijladvies.

Meer informatie staat op de website van Ziekenhuis Gelderse Vallei.

Postercampagne Kinder Diabetes Zorg Limburg

kinderdiabetesDe zes Limburgse ziekenhuizen zijn een gezamenlijke postercampagne gestart om suikerziekte bij kinderen (diabetes type 1) in een zo vroeg mogelijk stadium op te sporen. Op deze manier kunnen ziekenhuisopnames worden voorkomen of de opnameduur verkort.

Aandacht bedoeld om de ziekte zo vroeg mogelijk op te sporen
De campagne vloeit voort uit een samenwerking tussen de ziekenhuizen die vorig jaar oktober gestart is. De bedoeling is om de campagne later ook landelijk uit te rollen.

Kinder Diabetes Zorg Limburg
Kinder Diabetes Zorg Limburg (KDZL), zoals het provinciale samenwerkingsverband heet, verspreidt de posters onder scholen, kinderdagverblijven, GGD, thuiszorg en huisartsen. Op de poster staat welke symptomen op de ziekte diabetes type 1 wijzen. Wanneer die signalen beter herkend worden, is de kans veel groter dat de ziekte in een vroeger stadium ontdekt wordt, zodat de behandeling eerder kan worden gestart. Het zo vroeg mogelijk onderkennen van de ziekte en starten met de behandeling heeft als voordeel dat er gedurende een langere tijd een betere instelling mogelijk is van de diabetesregulatie. Daarnaast wordt een ziekenhuisopname, die bij jonge (diabetes)patiënten doorgaans als traumatisch ervaren wordt, mogelijk voorkomen.

Samenwerking
In oktober 2011 hebben de zes Limburgse ziekenhuizen een samenwerkingsverband opgericht om de zorg voor kinderen met diabetes type 1 beter te coördineren en te optimaliseren. Kinder Diabetes Zorg Limburg heeft in ieder ziekenhuis een eigen behandelteam voor kinderdiabetes. Bovendien is door intensieve samenwerking tussen de teams een continue en optimale zorg voor alle patiënten gegarandeerd.

Toename
Diabetes type 1 (of suikerziekte) komt steeds vaker voor bij kinderen en jongeren. Op dit moment zijn er in Nederland ruim 6000 kinderen en jongeren die lijden aan deze auto-immuunziekte; in Limburg zijn het er 500. De meest recente prognose is dat het aantal kinderen en jongeren met diabetes type 1 in 2025 zal zijn verdubbeld.
[academisch ziekenhuis Maastricht]

Multidisciplinaire richtlijn over zelfcontrole van bloedglucosewaarden

glucosemeterZelfcontrole wordt gezien als een essentieel hulpmiddel om normoglycemie te bereiken. Het is de hoeksteen bij de zelfzorg en de begeleiding van mensen met diabetes. Desondanks bestaat in Nederland geen eenduidigheid over adequate adviezen voor de indicatiestelling, frequentie en uitvoering van zelfcontrole.

Dit was voor de EADV aanleiding om een multidisciplinaire richtlijn te ontwikkelen. Deze richtlijn is tot stand gekomen met subsidie vanuit het NAD en in samenwerking met diverse diabetesprofessionals. Medio dit jaar wordt de richtlijn geïmplementeerd.

De nieuwe richtlijn vervangt de monodisciplinaire EADV richtlijn uit 2004, evenals de NDF richtlijn Zelfcontrole uit 2003. In eerste instantie wilde de EADV alleen haar eigen richtlijn herzien, maar stuitte daarbij op discussies over met name de uitvoering van zelfcontrole. Om die reden is conform de Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO) de multidisciplinaire richtlijn ontwikkeld met daarin aandacht voor het totale palet: indicatie, frequentie, educatie en de uitvoering van zelfcontrole. De werkgroep die deze richtlijn ontwikkelde bestond naast zorgverleners (huisarts, internist, diabetesverpleegkundige en een diëtist) ook uit een klinisch chemicus en een diabetespatiënt. De multidisciplinaire richtlijn moet alle zorgprofessionals in het diabetesveld ondersteunen in de dagelijkse, praktische diabeteszorg bij het maken van keuzes en afwegingen met betrekking tot zelfcontrole.

Knelpuntenanalyse
Om te inventariseren waar de diverse zorgverleners tegenaan lopen in het veld is allereerst een knelpuntenanalyse uitgevoerd. De werkgroep heeft een groot aantal diabeteszorgprofessionals gevraagd naar de huidige knelpunten en wat volgens hen in de nieuwe richtlijn zou moeten worden opgenomen. Een belangrijk punt bleek de indicatiestelling: wie geen insuline spuit, komt nu niet in aanmerking voor vergoeding van strips. Terwijl zelfcontrole voor sommige patiënten heel waardevol zou kunnen zijn. Een belangrijke vraag is dan ook: voor wie is zelfcontrole zinvol, en wat moeten vervolgens de frequentie en de tijdstippen van zelfcontrole zijn om op basis van de uitkomsten tot een betere diabetesregulatie te komen?

Proces
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn vijf hoofdvragen geformuleerd. De werkgroep heeft een raamwerk voor de nieuwe richtlijn samengesteld, dat bestaat uit vijf hoofdstukken: indicatie voor insulineonafhankelijke diabetespatiënten; indicatie en frequentie voor een- of tweemaal daagse insulinetoediening; frequentie van zelfcontrole voor mensen met insulinepomptherapie of een intensief schema; educatie; de voordelen van zelfcontrole. In een uitgebreide literatuurstudie van veelal internationale onderzoeken is alle beschikbare informatie voor de diverse groepen onderzocht. Een wetenschappelijk medewerker van TNO heeft de literatuur geordend, gezocht naar antwoorden op de eerder geformuleerde hoofdvragen en hier conclusies uit getrokken. Daarnaast heeft de werkgroep per onderdeel haar eigen overwegingen geformuleerd, vanuit het perspectief van de zorgverleners, het patiëntenperspectief en vanuit kostenoverwegingen: is er voldoende evidence voor zelfcontrole en hoe zit het bij deze specifieke patiënt? Kan en wil deze zelf de bloedsuiker controleren en actie ondernemen op basis van de resultaten van de meting? En welke kosten zijn daaraan verbonden? De conclusies en overwegingen zijn samengevat in een set van aanbevelingen, vertaald naar de Nederlandse situatie.

Indicaties
De aanbevelingen bieden handvatten voor maatwerk. Indicaties voor zelfcontrole zijn nu nog gebonden aan groepen patiënten. De richtlijn maakt het mogelijk de geldende indicaties als het ware te ‘personaliseren’. Voor mensen die geen insuline spuiten, is er geen hard bewijs dat zelfcontrole leidt tot een betere regulatie of tot meer tevreden patiënten. Uitzonderingen zijn vrouwen met zwangerschapsdiabetes die orale medicatie krijgen en mensen met diabetes type 2 die de maximale dosering orale middelen nemen. Maar hoe zit het met patiënten die orale medicatie gebruiken in combinatie met corticosteroïden? Of mensen die recent de diagnose diabetes hebben gekregen? Door bij hen zo snel mogelijk normoglycemie te bereiken, kan winst geboekt worden op het verloop van de ziekte. Bovendien is hun motivatie vaak groter dan van mensen die al langere tijd diabetes type 2 hebben. De meerwaarde van deze richtlijn is volgens de EADV dat die mogelijkheden biedt om algemeen geldende adviezen in de spreekkamer te vertalen naar maatwerk. Alleen dan is het mogelijk om als behandelaar samen met de patiënt afspraken te maken en die vast te leggen in een zorgplan, met concrete evaluatieafspraken. Zo kan de diabetesregulatie geoptimaliseerd worden en kunnen eventueel afspraken worden gemaakt met zorgverzekeraars. Zoals een patiënt die zich voorbereidt op een marathon en om die reden extra strips nodig heeft. Of een insulineonafhankelijke patiënt die twintig kilo wil afvallen en het effect daarvan op zijn of haar diabetesregulatie wil meten. Door het maken van concrete afspraken en die te vertalen in een zorgplan zou een zorgverzekeraar bereid gevonden kunnen worden om gedurende een bepaalde periode voor die specifieke patiënt (extra) strips te vergoeden.

Eerste of tweede druppel
Een van de grote discussiepunten waar tot voor kort geen consensus over was, is het gebruik van de eerste of tweede bloeddruppel. De adviezen van zorgverleners en klinisch chemici hierover zijn niet eenduidig en de uiteenlopende adviezen van diagnostische bedrijven zorgen voor nog meer onduidelijkheid. De EADV heeft vooral om die reden een klinisch chemicus gevraagd te participeren in de werkgroep om gezamenlijk tot een helder, eenduidig advies te komen. De uitkomst is dat de eerste bloeddruppel gebruikt mag worden, mits de handen goed gewassen en afgedroogd zijn. Dit is verwoord in de richtlijn.

Afronding
De EADV is zeer tevreden over de inhoud van de nieuwe richtlijn. Zelfs op lastige punten zoals het gebruik van de eerste of tweede bloeddruppel is overeenstemming bereikt. En de richtlijn biedt handvatten voor maatwerk. Medio 2012 verschijnt de multidisciplinaire richtlijn Zelfcontrole in een gedrukte versie voor het gebruik in de spreekkamer en in een uitgebreide digitale versie, inclusief alle bijlagen. Daarnaast wordt een geplastificeerde kaart gemaakt met daarop de aanbevelingen.

Download de richtlijn op de website van het EADV.

Minder mensen met diabetes naar het ziekenhuis, kostenreductie blijft uit

geldDoor de invoering van de integrale bekostiging maken minder mensen met diabetes gebruik van het ziekenhuis (tweede lijn). De verschuiving van tweedelijnszorg naar de eerste lijn levert echter (nog) geen kostenbesparing op. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de integrale bekostiging van diabetespatiënten.

In het rapport hebben onderzoekers van het RIVM gekeken of via integrale bekostiging van een zorgprogramma bij mensen met diabetes een besparing van de kosten van zorg gerealiseerd wordt. Integrale bekostiging versterkt de rol van de eerste lijn (huisarts/praktijkondersteuners), om zo de zorg voor de cliënt dichter bij huis te houden. Dat zou bovendien kunnen leiden tot minder uitgaven voor ziekenhuiszorg, omdat méér zorg in de eerste lijn een deel van de zorg in de tweede lijn overbodig zou maken.

De onderzoekers maakten gebruik van zorgdeclaraties van alle Nederlandse zorgverzekeraars voor mensen met diabetes. Alle gegevens zijn verzameld door Vektis. Dit informatiecentrum beschikt over alle gegevens over medicijngebruik, verrichtingen van huisartsen en ziekenhuizen. Bij het onderzoek naar het functioneren van integrale bekostiging is gekozen voor diabetes, omdat hierover de meeste gegevens beschikbaar zijn. In vrijwel heel Nederland wordt namelijk diabeteszorg via de integrale bekostiging geleverd.

Het onderzoek laat zien dat de curatieve zorgkosten van patiënten in een zorgprogramma bekostigd via integrale bekostiging in 2009 €288 meer waren gestegen dan die van patiënten die reguliere zorg ontvingen.
Verder laat het onderzoek zien dat deelnemers aan een zorgprogramma voor diabetes, bekostigd via integrale bekostiging, in 2009 minder vaak naar het ziekenhuis hoefden. De kosten die ziekenhuizen maakten voor diabetesgerelateerde zorg nam af, maar opmerkelijk genoeg niet de totale ziekenhuiskosten van deze patiënten; deze namen juist toe. Een verklaring daarvoor werd niet gevonden, daar zijn andere gegevens voor nodig. Zo ontbreekt nu nog informatie over de ernst van de ziekte van de patiënt en gedetailleerdere informatie over de gemaakte ziekenhuiskosten.

Het nieuwe systeem integrale bekostiging is niet bij alle zorgprogramma’s ingevoerd. Er is een overgangsperiode ingesteld, waarin de zorg ook nog op de oude manier kan worden bekostigd. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft de evaluatiecommissie Integrale Bekostiging (EIB) ingesteld om de invoering te volgen en te adviseren over het al dan niet beëindigen van deze overgangsperiode. De evaluatiecommissie Integrale Bekostiging publiceert binnenkort haar eindrapportage. Het RIVM onderzoek naar de effecten van integrale bekostiging voor de zorgkosten is een belangrijke informatiebron geweest voor de evaluatiecommissie.

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zal deze week een Marktscan over Ketenzorg publiceren, met daarin gegevens over de marktstructuur, het marktgedrag, transparante informatie en toegankelijkheid van de ketenzorg. Ook verschijnt deze maand een advies van de NZa met diverse mogelijkheden om de bekostiging in de eerstelijnszorg te verbeteren. Dit rapport zal met het rapport van de EIB naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
[RIVM]