Slim meetapparaatje voorspelt diabetes

Slim meetapparaatje voorspelt diabetes, hart- en vaatziekten en overlijden
De weerkaatsing van licht door de huid (autofluorescentie), gemeten met een eenvoudig apparaat waarop de onderarm gelegd wordt, kan het risico op type 2-diabetes, hart- en vaatziekten en overlijden voorspellen. Dat blijkt uit onderzoek onder bijna 73.000 deelnemers aan de biobank Lifelines. Onderzoekers onder leiding van Bruce Wolffenbuttel, hoogleraar Endocrinologie in het UMCG, publiceerden hun bevindingen in het wetenschappelijke tijdschrift Diabetologia.​

Uit eerder onderzoek bleek al dat patiënten met diabetes type 2 een hoger niveau van bepaalde chemicaliën hebben, de zogenaamde versuikeringsproducten (AGE’s). Doordat sommige AGE’s au​tofluorescentie in de huid geven, zijn bij deze patiënten ook hogere niveaus van autofluorescentie van de huid te zien.

Die AGE’s zijn te meten met een AGE-reader. Het is een meetapparaat ter grootte van een baksteen, waarop de onderarm gelegd wordt. Het licht van de AGE-reader schijnt op de arm en de huid van de arm weerkaatst het licht in een andere golflente. Door het licht in de veranderde golflengte te meten, kun je zien of de autofluorescentie van de huid is verhoogd. Deze simpele meetmethode doet geen pijn en kost slechts tien seconden.

De onderzoekers hebben nu gekeken of de autofluorescentie de ontwikkeling van type 2 diabetes, hart- en vaatziekten en overlijden bij mensen die (nog) niet ziek zijn kan voorspellen.

Lees verder op de website van het UMCG.

Twee miljoen voor doorbraak diabetes type 2 onderzoek

Het Diabetes Fonds en ZonMw financieren gezamenlijk 2 miljoen euro in het programma Diabetes II Doorbraakprojecten. Het programma biedt onderzoekers de mogelijkheid om nieuwe ideeën voor de oplossing van diabetes type 2 in korte tijd te bewijzen. Om ze daarna uitgebreid te kunnen onderzoeken. Centraal staat hierbij: wat gaat hét verschil maken bij het voorkomen en stoppen van diabetes type 2?

Ruim 1,1 miljoen Nederlanders hebben diabetes type 2 en dit zal de komende jaren alleen maar toenemen. De gevolgen van deze aandoening zijn groot, mede door het risico op ingrijpende complicaties. Onderzoek heeft al veel kennis opgeleverd over de achterliggende mechanismen, maar er is nog geen oplossing om diabetes type 2 te stoppen.

Diabetes II Doorbraakprogramma
ZonMw en het Diabetes Fonds combineren hun expertise en starten vandaag met het programma. Daarmee kan een volgende stap gezet worden om diabetes type 2 terug te dringen. Dit programma is uniek, want het stimuleert wetenschappers hun ideeën te toetsen met mogelijk baanbrekende oplossingen.

20 gehonoreerde projecten
Er starten 20 onderzoeksprojecten binnen het programma Diabetes II Doorbraakprojecten. Deze projecten hebben betrekking op één of meerdere van de volgende onderwerpen: veroudering, biomarkers, datasets, gezonde leefstijl, risicogroepen, insulineongevoeligheid, zwangerschapsdiabetes, laag sociaal economische klasse en kinderen met diabetes type 2. De projecten die gehonoreerd zijn, zijn kortlopende pilotprojecten met een maximale duur van een jaar. Meer informatie over de 20 projecten vindt u op onze programmapagina Partnership Diabetes.

Over het Diabetes Fonds
Het Diabetes Fonds vindt dat iedereen een gezond leven verdient, zonder diabetes en de complicaties ervan. Daarom wil het Diabetes Fonds Nederland gezonder maken en diabetes genezen. Enerzijds door wetenschappelijk onderzoek te financieren naar betere behandelingen, genezing en complicaties van diabetes type 1 en type 2. Anderzijds door de gezonde keuze makkelijker te maken. Voor meer informatie over diabetes kunt u terecht op de website van het Diabetes Fonds www.diabetesfonds.nl.

Over ZonMw
ZonMw financiert gezondheidsonderzoek én stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis. Daarmee draagt ZonMw bij aan het verbeteren van de zorg en gezondheid. Met allerlei subsidieprogramma’s wordt de totale innovatiecyclus gestimuleerd. Van fundamenteel onderzoek tot implementatie van nieuwe behandelingen, preventieve interventies of verbeteringen in de structuur van de gezondheidszorg.
[ZonMw]

Beter minder koolhydraten dan minder vet bij diabetes type 2

Mensen met diabetes type 2 kunnen waarschijnlijk beter een dieet met weinig koolhydraten dan een vetbeperkt dieet volgen. Dat schrijven onderzoekers van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) in het wetenschappelijke tijdschrift The American Journal of Clinical Nutrition.

De onderzoekers kwamen tot hun conclusie door het samenvoegen van 36 kleinere onderzoeken naar het effect van het eten van minder vet of koolhydraten op gewicht en bloedsuiker. “Een laagvet-dieet wordt al vele jaren in alle richtlijnen gesuggereerd voor patiënten met diabetes type 2. Er zijn echter de laatste jaren steeds meer geluiden over de gunstige effecten van een dieet met weinig koolhydraten”, legt onderzoeker Esther van Zuuren uit.

Lees verder op de website van het LUMC

Nieuwe behandeling diabetes type 2 vanaf 1 januari beschikbaar

Vanaf 1 januari 2017 is er een nieuwe behandeling voor volwassenen met diabetes mellitus type 2. Het middel is een combinatie van een langwerkende insuline en een GLP-1 receptoragonist. Dit nieuwe middel, uitsluitend op recept verkrijgbaar, werd ontwikkeld door Novo Nordisk, ’s werelds grootste leverancier van insuline.

Het nieuwe middel voor de behandeling van diabetes bestaat uit twee werkzame stoffen in één pen. Het helpt het lichaam de bloedsuikerwaarde te verlagen gedurende de dag, de nacht en na maaltijden.

Het middel is beschikbaar in een voorgevulde pen en de injectie wordt eenmaal per dag door de patiënt zelf toegediend. Bij voorkeur wordt het middel elke dag op hetzelfde tijdstip toegediend, maar als toediening op het gebruikelijke tijdstip niet mogelijk is, kan het middel op een ander tijdstip van de dag worden toegediend met een tussen poos van ten minste 8 uur.
[Novo Nordisk]

FITTER-congres: gedachten wisselen over de onderzoeksresultaten en enquête uitkomsten over injectietechniek

BD Micro-Fine 4mm pennaaldOp 23-25 oktober 2015 kwamen meer dan 150 experts van over de hele wereld bijeen voor het Forum for Injection Technique and Therapy Expert Recommendations (FITTER). Tijdens dit door BD gesponsorde congres, dat plaatsvond in Rome, bespraken zij de onderwerpen techniek, infusie en veiligheid, om het diabetesmanagement van miljoenen mensen te verbeteren.

Meer dan 14.000 virtuele afgevaardigden wisselden met een groot aantal vooraanstaande FITTER-experts van gedachten over de onderzoeksresultaten en de uitkomsten van de recente enquête over injectietechniek (ITQ), die is gehouden in het kader van het ontwikkelen van nieuwe internationale aanbevelingen over injectietechniek en veiligheid, die we in het voorjaar van 2016 kunnen verwachten. Het tweedaagse programma omvatte plenaire presentaties en groepssessies over een breed scala aan relevante onderwerpen, zoals educatie en training, infusie en veiligheid.

Diabetes is een ernstig gezondheidsprobleem dat wereldwijd hand over hand toeneemt. Volgens schattingen van de International Diabetes Federation lijden in 2035 wereldwijd circa 592 miljoen mensen aan diabetes. Het aantal mensen met diabetes type 2 neemt in alle landen toe, en doordat de diagnose vaak eerder wordt gesteld en de levensverwachting langer is, neemt ook de kans toe dat zij hun aandoening met behulp van injectietherapie moeten managen. Tijdens dit congres lag de nadruk dan ook op de grote hoeveelheid wetenschappelijke onderzoeken waarin wordt aangetoond dat de factor educatie over injectie- en infusietechniek een even grote rol speelt binnen diabetesmanagement als insuline, eetpatroon en een actief leven. [i] [ii] Naast alle klinische bewijzen en literatuur over dit onderwerp hebben de 13 leden van de Wetenschappelijke Adviesraad* van FITTER ook de resultaten van de wereldwijde ITQ-enquête met de afgevaardigden besproken. ITQ is een van de meest grootschalige onderzoeken ooit op dit gebied, en het omvat gegevens van meer dan 13.000 respondenten uit 42 landen, wat duidelijk aangeeft hoe belangrijk dit onderwerp is.

Er is overtuigend wetenschappelijke bewijs dat aantoont wat de positieve invloed van een correcte injectietechniek is op de gezondheid van diabetici. Een van de vele voorbeelden is het recente onderzoek van Grassi et al. waarin wordt geconcludeerd dat voorlichting over de injectietechniek niet alleen de bloedglucoseregeling verbetert, maar er ook voor zorgt dat diabetici tevredener zijn over de therapie en binnen slechts drie maanden (een relatief kort tijdsbestek) hun dagelijkse insulinegebruik kunnen verlagen.i

“Voorlichting is de sleutel en het is de missie van FITTER om de influencers, opleiders en zorgverleners te bereiken die de nieuwe aanbevelingen in hun dagelijkse praktijk gaan ondersteunen en verspreiden,” zegt Kenneth Strauss, Global Medical Director, BD Medical – Diabetes Care. “Het was een zeer succesvol evenement en een goede afspiegeling van het grote belang dat wereldwijd wordt gehecht aan de cruciale rol van injectietechniek binnen de diabeteszorg. De nieuwe aanbevelingen worden in het voorjaar van 2016 bekendgemaakt en wereldwijd onder de aandacht gebracht van alle partijen die bij diabeteszorg zijn betrokken.”
[Nieuwsbericht BD]

Eén op de drie Nederlanders krijgt diabetes

Onderzoekers brengen risico suikerziekte op verschillende leeftijden in kaart
Eén op de drie Nederlanders krijgt ouderdomssuikerziekte en de helft van de Nederlanders een voorstadium daarvan. Dat schrijven onderzoekers van het Erasmus MC vandaag in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Lancet Diabetes & Endocrinology. Zij baseren hun bevindingen op gegevens van het langlopende bevolkingsonderzoek Erasmus Rotterdam Gezondheid Onderzoek (ERGO) in Rotterdam.

Diabetes is de meest voorkomende chronische ziekte in Nederland. Diabetes type 2 wordt ook wel ouderdomssuikerziekte genoemd en openbaart zich meestal pas later in het leven. De ziekte en het voorstadium ervan geven een sterk verhoogd risico op hart- en vaatziekten, blindheid, nierziekten en dementie. Onderzoekers van het Erasmus MC berekenden voor het eerst in Europa het levenslange risico op diabetes. “Dit geeft een concreet beeld van hoe het in Nederland gesteld is”, zegt promovendus Symen Ligthart van de afdeling Epidemiologie van Erasmus MC en eerste auteur van het artikel. “Uit onze studie blijkt dat één op de drie Nederlanders diabetes krijgt. Naar mate de leeftijd stijgt, daalt dit risico. Bij tachtigjarigen die nog geen diabetes hebben, is de kans op diabetes nog één op tien.”

Ligthart: “Daarnaast maakt de helft van de Nederlanders kans om een voorstadium van suikerziekte te krijgen. Met name mensen met obesitas en overgewicht hebben een hoger risico op diabetes, maar ook mensen met een gezond gewicht lopen gevaar. Mensen met een voorstadium van de ziekte hebben verhoogde bloedsuikerwaarden, maar weten dit vaak niet. Toch hebben 45 jarigen met het voorstadium van diabetes maar liefst 75 procent kans om diabetes te krijgen. Bij ‘magere’ mensen met een BMI van minder dan 25 is het risico op de ziekte nog één op vijf. Wat hier precies de oorzaak van is, weten wij nog niet. Vermoedelijk spelen erfelijke factoren en ongezonde voeding een rol. Uiteindelijk heeft de helft van de diabetespatiënten op gemiddelde leeftijd in de toekomst een behandeling met insuline nodig die de bloedsuikerspiegel verlaagt.”

De onderzoekers maakten gebruik van gegevens van het langlopende bevolkingsonderzoek Erasmus Rotterdam Gezondheid Onderzoek (ERGO) in Rotterdam. De ERGO-studie, internationaal ook wel bekend als de Rotterdam Study, volgt meer dan 15.000 ouderen in de Rotterdamse wijk Ommoord van 45 jaar en ouder. Zij analyseerden voor deze studie de gegevens van meer dan 10.000 deelnemers over een periode van 14 jaar. Deze deelnemers hadden geen diabetes of een voorstadium daarvan bij de start van deze studie. De publicatie in wetenschappelijk tijdschrift Lancet Diabetes & Endocrinology staat online gepubliceerd.
[Erasmus MC]

Patiënten met diabetes type 2 gezocht voor onderzoek

De afdelingen Radiologie en Endocrinologie van het Leids Universitair Medisch Centrum doen wetenschappelijk onderzoek naar de invloed van het nieuwe medicijn liraglutide op hart en bloedvaten bij patiënten met diabetes type 2.

Liraglutide verlaagt de bloedsuikers, zorgt voor gewichtsverlies en heeft mogelijk een gunstig effect op hart en bloedvaten. U kunt meedoen aan het onderzoek als u aan alle volgende punten voldoet:

  • U heeft diabetes mellitus (suikerziekte) type 2
  • U gebruikt metformine (insuline en SU-preparaten ook toegestaan)
  • U bent ouder dan 18 jaar en jonger dan 70 jaar
  • U heeft geen hartinfarct gehad
  • Uw HbA1c waarde is te hoog (hoger dan 52 mmol/mol)

Het onderzoek is dubbelblind en gerandomiseerd. Dit houdt in dat via loting wordt bepaald of u liraglutide of een placebo krijgt en zowel u als de onderzoeker niet weten waarvoor u heeft geloot. U moet de studiemedicatie gedurende 26 weken onderhuids inspuiten. Voor en na de behandeling wordt een MRI-scan gemaakt van uw hart, grote bloedvaten, lever en nieren. Ook wordt bloedonderzoek verricht. Voor deelname krijgt u een financiële vergoeding van 500 euro en een reiskostenvergoeding.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met dhr. M.B. Bizino, arts-onderzoeker.
Tel: 071-5298060
E-mail: m.b.bizino@lumc.nl
[LUMC]

Wel of niet insuline injecteren?

BD Micro-Fine 4mm pennaaldHet belang van een geoptimaliseerd insulineschema voor het bereiken van een evenwichtige bloedglucosespiegel om zo het optreden van aan diabetes gerelateerde complicaties te voorkomen of te vertragen, wordt tegenwoordig door iedereen erkend. Dit resultaat kan alleen worden bereikt als de patiënt zich de behandeling eigen maakt en actief meewerkt, niet alleen bij het uitvoeren van de injecties, maar ook bij de zelfcontrole van de bloedglucosespiegel. Dit is onmisbaar voor het aanpassen van de insulinedoses en daarmee voor een goede beheersing van de bloedglucosespiegel. Ondanks het verbeterde injectiemateriaal, met name de naalden, blijft het naleven van de behandeling met injecties een uitdaging, vooral wat betreft insulinetherapie.

Een evenwichtige bloedglucosespiegel (bloedspiegel van hemoglobineglycaat – HbA1c, aanvallen van ketoacidose) is gecorreleerd aan het aantal uitgevoerde insuline-injecties (1). 20 tot 57% van de patiënten zegt volgens onderzoeken in het dagelijks leven het aantal insuline-injecties en de dosering te beperken (1-3). Uit een recent onderzoek blijkt dat dit in Frankrijk 19,9% is (4).
Er kunnen verschillende scenario’s worden beschreven, afhankelijk van het type diabetes en het moment in de ontwikkeling van de diabetes (diagnose, aanvang van insulinebehandeling bij diabetes type 2, behandeling op lange termijn…).

De aanvang van de behandeling met insuline vindt, afhankelijk van het type diabetes, plaats onder zeer verschillende omstandigheden. Bij diabetes type 1 valt de aanvang van de behandeling samen met het moment van de diagnose. We gaan hier niet gedetailleerd in op de voorwaarden voor het goed overbrengen van de diagnose. In het kort: het ritme van de patiënt in acht nemen, zijn verwachtingen van de diabetes en de behandeling ervan verkennen, de reacties, met name emotioneel, op de diagnose bijhouden.

Bij diabetes type 2 is insulinetherapie alleen geïndiceerd als behandeling met orale diabetesmedicatie niet aanslaat. In tegenstelling tot diabetes type 1 is insulinetherapie bij diabetes type 2 niet van levensbelang, maar wel essentieel voor de stofwisselingsbalans. Desondanks wordt vaak laat begonnen met de behandeling vanwege het bestaan van meerdere belemmeringen zowel aan de kant van de patiënt als van de zorgverlener. De meest voorkomende redenen (5) bij patiënten zijn het definitieve karakter van de insulinetherapie, de ernst van de ziekte die de behandeling met insuline uitstraalt, de beperking die de behandeling met zich mee brengt, het risico van hypoglykemie en het gevoel van persoonlijk falen. De redenen die betrekking hebben op de injectie zelf zijn onder andere het gebrek aan zelfvertrouwen, de mogelijkheid om de genoemde injecties uit te voeren en de verwachting van pijn.

De ideeën van de patiënt over de ernst van zijn ziekte en over de behandeling spelen een belangrijke rol bij de acceptatie van behandeling met insuline bij diabetes type 2 (6). Zo zegt bijna de helft van de patiënten die nog geen insuline nemen dat hun ziekte niet ernstig genoeg is voor dit type behandeling. De aanvang van insulinetherapie markeert voor de patiënt een progressie van de ziekte, het falen van eerdere behandelingen en zelfs een persoonlijke mislukking. Insulinetherapie betekent voor de patiënt vaak dat hij er niet in is geslaagd de diabetes zelf onder controle te houden. Dat gevoel van mislukking kan worden versterkt als de arts met insuline heeft gedreigd om te proberen de patiënt te motiveren.

Angelsaksische auteurs spreken over weerstand tegen insulinetherapie (7). Onder deze term vallen ook de denkwijze van de patiënt met betrekking tot insulinetherapie, een gebrek aan vertrouwen in de benodigde competentie om de insulinetherapie uit te voeren, en een gebrek aan kennis van de patiënt. Patiënten kunnen deze belemmeringen alleen overwinnen als die worden erkend door de zorgverleners. Alleen met die erkenning kan worden gezocht naar een oplossing waarbij onder de best mogelijke omstandigheden met insulinetherapie kan worden begonnen. Als dat niet gebeurt, komt de therapietrouw van de patiënt in het gedrang. Ongeveer 30% van de patiënten begint dan ook helemaal niet met de behandeling of stopt er al heel snel weer mee (5). De patiënten geven daar als reden voor de beslissing om zich intensiever te houden aan voedingsadviezen en lichamelijke activiteit, angst voor injecties, de negatieve gevolgen voor het sociale en professionele leven, het definitieve karakter van de behandeling, de beperkingen die de behandeling oplevert en twijfel over het nut van insulinetherapie. Vaak hebben deze patiënten het gevoel dat ze onvoldoende informatie hebben gekregen over de voordelen en risico’s van insulinetherapie.

Daarbij komt het probleem met zorgverleners die op het gebied van injecties een optimale behandeling met insuline kunnen belemmeren. Allereerst is een goede medische kennis nodig van de indicaties en vormen van insulinetherapie, wat tegenwoordig bij medische zorg in de buurt steeds beter wordt. Maar goede medische kennis laat onverlet dat de zorgverlener het vermogen moet hebben om te herkennen welke belemmeringen de patiënt ondervindt bij het beginnen met insuline-injecties. Vaak staat de verwachting van pijn voorop, terwijl de psychologische aspecten, zoals het idee over de ernst van de ziekte of de beleving van behandeling met insuline als een verslaving, onbekend zijn (6). Van groot belang zijn de relatie tussen patiënt en zorgverlener voor het delen van beslissingen, informatie over de bijwerkingen van insulinetherapie en training in het uitvoeren van de injecties.

Over de therapietrouw van patiënten op lange termijn bij insulinetherapie, zowel bij diabetes type 1 als type 2, en de bepalende factoren is weinig bekend. In een recent onderzoek zegt meer dan de helft (57%) van de patiënten die met insuline worden behandeld wel eens insuline-injecties over te slaan waarvan ze weten dat ze nodig zijn. 20% doet dat regelmatig of vaak (2). De voorspellende factoren voor deze zwakke therapietrouw zijn een jongere leeftijd, een laag inkomen, een hoog opleidingsniveau, diabetes type 2, het niet opvolgen van voedingsadviezen, een groter aantal dagelijkse injecties, pijn bij de injectie en de last die daardoor wordt veroorzaakt en een grotere verstoring van het dagelijks leven door de injecties.

Vier factoren worden in het bijzonder benadrukt. Voor een deel gaat het over de verstoring door de injecties doordat activiteiten rondom de injecties moeten worden gepland, en de verstoringen door de injecties van de dagelijkse activiteiten. Als er een conflict ontstaat tussen het moeten uitvoeren van een insuline-injectie en een activiteit, moet de patiënt de activiteit aanpassen om de injectie te kunnen uitvoeren, of lost hij het conflict gewoon op door te besluiten geen injectie uit te voeren. Om ervoor te zorgen dat patiënten insulinetherapie minder als een last zien, moeten verzorgenden verder gaan dan alleen voorschrijven en informeren. Een van de belangrijkste problemen bij het zorgen voor patiënten die met insuline worden behandeld, is het goed kennen van de problemen die patiënten tegenkomen, ze begeleiden bij het zoeken naar persoonlijke oplossingen (8).

De twee andere factoren die de bron vormen van bepaalde problemen, hebben betrekking op het uitvoeren van de injecties: pijn en schaamte. Het bagatelliseren van de handeling en van de gevoelens van de patiënten komen te vaak voor, en patiënten geven aan dat zorgverleners zich onvoldoende interesseren voor de problemen die ze ondervinden. De erkenning van die problemen en het zoeken naar oplossingen zijn belangrijk voor het verbeteren van de therapietrouw. Het samen met de patiënt zoeken naar het beste injectie-instrument voor die patiënt wat betreft ergonomie, zichtbaarheid en gebruiksgemak verbetert het uitvoeren van de injecties, vooral buitenshuis en in het openbaar. En ook het opnieuw bekijken van de injectielocaties en het kiezen van het meest geschikte type naald zijn elementen die het uitvoeren van de injecties vergemakkelijken (9).

De risicofactoren met betrekking tot therapietrouw verschillen afhankelijk van het type diabetes. Bij diabetes type 1 zullen patiënten met een slechte levensstijl en een groot aantal dagelijkse injecties, en patiënten voor wie de verstoring van het dagelijks leven groot is, de injecties vaker overslaan. Bij diabetes type 2 zijn dat jongere patiënten en patiënten die zich slecht houden aan voedingsadviezen.

Het voorlichten van de patiënt over het uitvoeren van de injecties is daarom een cruciaal moment voor het ontwikkelen van een goede werkwijze. Daarvoor is het essentieel dat zorgverleners een hoog niveau van kennis en ervaring hebben op dit gebied. Bovendien moeten ze naast het beheersen van de injectietechniek met ook nog eens een groot aantal verschillende instrumenten, vaardigheden hebben op het gebied van communicatie en pedagogie.

Een ander leren om een handeling uit te voeren kan niet worden bedacht, en ook het begrijpen en beheersen van de vaak negatieve reacties en emoties bij het begin van de behandeling met insuline is even belangrijk en staat garant voor een goede uitvoering van injecties door de patiënt. Bovendien is het injecteren van insuline een handeling die vanzelf een gewoonte wordt. De gewoonte maakt het uitvoeren van deze herhaalde actie gemakkelijker. Het wordt een onderdeel van het dagelijks leven, wordt minder vaak vergeten en verbetert de therapietrouw. Maar de gewoonte kan ook een routine worden waarbij niet meer wordt nagedacht over de aanbevolen procedures, waardoor de handeling minder precies wordt en afwijkt van de aanbevelingen. Het is daarom ook belangrijk om regelmatig samen met de patiënt zijn injectietechniek te evalueren, adviezen door te nemen, alle stappen te herzien en zonder aarzeling informatie te herhalen.

Meer kennis over de ziekte en de behandelingen, en een betere mogelijkheid om gewoontes vast te houden en problemen in het dagelijks leven op te lossen, vooral met betrekking tot de behandeling, vergroten de therapietrouw bij insulinetherapie (10). Therapietrainingen helpen patiënten bij het ontwikkelen van dergelijke vaardigheden. Dat is al onmisbaar bij het aanleren van technische vaardigheden voor het beheersen van handelingen en technieken, maar ook om ervoor te zorgen dat de patiënt zich het gehele complexe proces eigen kan maken, van injectie tot beheersing van de bloedglucosespiegel en dus tot een goede stofwisselingsbalans. Het starten met en langdurig uitvoeren van insulinetherapie kan niet los worden gezien van het zorgproces en een persoonlijk opleidingstraject voor de patiënt. Dat is alleen mogelijk als de zorgverleners beschikken over de benodigde medische kennis, maar ook over onmisbare relationele, methodologische en pedagogische vaardigheden voor het begeleiden van de patiënt bij zijn eerste stappen om zich de insulinetherapie eigen te maken.

Dr. Helen Mosnier-Pudar, specialist
Afdeling Endocrinologie en stofwisselingsziekten
Hôpital Cochin – Parijs

Referenties
1. Goebel-Fabbri AE, Fikkan J, Franko DL, Pearson K, Anderson, BJ, Weinger K: Insulin restriction and associated morbidity and mortality in women with type 1 diabetes. Diabetes Care 2008;31:415–419.
2. Peyrot M, Rubin RR, Kruger DF, Travis LB: Correlates of insulin injection omission. Diabetes Care 2010;33:240–245.
3. Peyrot M, Rubin RR, Lauritzen T, Skovlund SE, Snoeck FJ, Matthews DR, Landgraf R, Kleinebreil L: Resistance to insulin therapy among patients and providers: results of the cross-national Diabetes Attitudes, Wishes and Needs (DAWN) study. Diabetes Care 2005;28:2673–2679.
4. Barnett AH, Meneghini LF, Schumm-Draeger P-M, Peyrot M: The GAPP (Global Attitudes of Patients and Physicians in Insulin Therapy) study: identifying risk factors associated with injection omission/non-adherence in insulin treated patients with type 1 and type 2 diabetes. Diabet Med 2012;29 (Supp 1):168.
5. Karter JK, Subramanian U, Saha C, Crosson JC, Parker MM, Swain BE, Moffet HH, Marrero DG: Barriers to insulin initiation: the Translating Research into Action for Diabetes Insulin Starts Project. Diabetes Care 2010;33:733–735.
6. Nakar S, Yitzhaki G, Rosenberg R, Vinker S: Transition to insulin in Type 2 diabetes: family physicians’ misconceptions of patients’ fears contribute to existing barriers. J Diabetes Complications 2007;21:220–226.
7. Polonsky WH, Fisher L, Guzman S, Villa-Caballero L, Edelman SV: Psychological insulin resistance in patients with type 2 diabetes. Diabetes Care 2005;28:2543–2545.
8. Peyrot M, Rubin RR. Behavioral and psychosocial interventions in diabetes: a conceptual review. Diabetes care 2007;30:2433-2440.
9. Rubin RR, Peyrot M, Kruger DF, Travis LB: Barriers to insulin injection therapy: patient and health care provider perspectives. Diabetes Educ 2009;35:1014–1022.
10. Link BG, Phelan JC, Miech R, Westin EI. The resources that matter fundemental social causes of health disparities and challenge of intelligence. J Health Soc Behav 2008;49:72-91.
[BD]