Zwangerschapsdiabetes wijst op rol van magnesium

zwangere vrouwEen tekort aan magnesium beïnvloedt de insulineresistentie en vormt een risicofactor voor zwangerschapsdiabetes en diabetes type 2. Dat melden onderzoekers van het UMC St Radboud in het wetenschapsblad PNAS op basis van een onderzoek bij zwangere vrouwen.

Een tekort aan magnesium wordt steeds vaker in verband gebracht met diabetes, maar het is onduidelijk waaruit dat verband precies bestaat. In een artikel in het wetenschapsblad PNAS leggen onderzoekers van het UMC St Radboud voor het eerst een concreet verband. Ze onderzochten waarom sommige vrouwen tijdens de zwangerschap (en daarna) een grotere kans maken op (zwangerschaps)diabetes en ontdekten een verband met een afwijkend magnesiumkanaal in de nieren.

Lees verder op de website van het UMC St Radboud.

Diabetesonderzoek tijdens de Vierdaagse

wandelenMaria Hopman, inspanningsfysioloog van het UMC St Radboud, volgt dit jaar dertig mensen met diabetes tijdens hun voorbereiding op de Nijmeegse Vierdaagse.

Ze onderzoekt wat het effect van vier maanden voorbereidende wandeltraining is op lichamelijke fitheid, insulinegevoeligheid en het risico op hart- en vaatziekten bij mensen met diabetes type 1 en 2.

Tijdens de Vierdaagse breidt Hopman haar onderzoek uit. Dan worden nog zeventig wandelaars met diabetes type 1 en 2 gevolgd, met als doel de fysieke risico’s tijdens langdurig wandelen in kaart te brengen en mensen met diabetes nog beter te kunnen adviseren. Van de deelnemers worden tijdens de vier wandeldagen de temperatuur, suikerhuishouding, vochtbalans en het inspanningsniveau in kaart gebracht.

Bewegen helpt
In Nederland hebben ruim 1 miljoen mensen diabetes en elk jaar komen er 70.000 nieuwe patiënten bij. Zo’n 90 procent van hen heeft diabetes type 2. Bewegen helpt om diabetes type 2 te voorkomen en heeft ook een positief effect als mensen al diabetes hebben.
[UMC St Radboud]

Bloedsuikerwaarden versturen via je smartphone in Ziekenhuis Gelderse Vallei

apple iphoneJe pakt een glucosemeter, prikt een druppel bloed en stuurt de waarde via je smartphone naar de kinderarts of kinderdiabetesverpleegkundige, die jouw bloedsuikerwaarden controleert en daarover adviseert. Een groep van 10 tieners met diabetes kreeg afgelopen week in Ziekenhuis Gelderse Vallei een smartphone uitgereikt en gaat nu zelf hun bloedwaarden doorsturen.

Een goed voorbeeld van vooruitstrevende kinderdiabeteszorg. Het meet en weetsysteem voor uitwisseling van gegevens ‘BLink’, is een e-Zorg project van Ziekenhuis Gelderse Vallei, die steeds meer nieuwe manieren van zorg met behulp van internet-technologie ontwikkelen.

De groep 12 tot 18 jarigen ging tijdens een startbijeenkomst meteen aan de slag met hun smartphone. Kinderarts Gert Jan van der Burg instrueerde de diabetespatiënten hoe zij de App BLink moeten gebruiken. Hij constateert met genoegen: ‘De ‘BLink-testers’ zijn erg enthousiast en hun ouders ook! Zij zijn een van de eerste kinderen in Nederland die met hun smartphone werken om zo goed mogelijk ingesteld te zijn en blijven op insuline. Dit is een heel belangrijke vernieuwing in de zorg.’

Hoe werkt BLink?
Met zijn smartphone stuurt de diabetespatiënt de glucosewaarden via een bluetoothmodule naar Patient1. Dit is een persoonlijk digitaal patiëntendossier met een diabetesdagboekje. Dat dagboekje is weer gekoppeld aan het patiëntendossier in Ziekenhuis Gelderse Vallei. De kinderdiabetesverpleegkundige of kinderarts beoordeelt de bloedwaarden uit het diabetesdagboek en stuurt een bericht met een advies terug. De jongere met diabetes bekijkt het advies via de smartphone (of computer). Zo’n advies gaat bijvoorbeeld over het aanpassen van de medicatie of voeding of een leefstijladvies.

Meer informatie staat op de website van Ziekenhuis Gelderse Vallei.

Nieuwe inzichten in relatie tussen spiervetstapeling en insulineresistentie

insuline injectieBij het ontstaan van type 2 diabetes speelt vetstapeling in spieren en lever een belangrijke rol. Tot op heden werd de stof diacylglycerol (een bijproduct van vetstofwisseling) daarvoor verantwoordelijk gehouden. Onderzoekers van de Universiteit Maastricht hebben aangetoond dat de relatie tussen vetstapeling en diacylglycerol niet zo eenduidig is, en dat het enzym AMP-activated protein kinase (AMPK) daar een belangrijke rol in vervult. Hun onderzoeksresultaten zijn deze week gepubliceerd in het hoog aangeschreven tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA (PNAS).

Postdoc onderzoeker Silvie Timmers onderzocht de effecten van vetstapeling met behulp van medicijnen die de vetverbranding blokkeren, om zo vetstapeling te stimuleren. De opvallende conclusie was dat ondanks overvloedige vetstapeling en toename van diacylglycerol in de spieren de insulinegevoeligheid juist was toegenomen in plaats van verminderd. Aanvullende studies in cellen, proefdieren en mensen wezen uit dat activering van AMPK, het enzym dat het energieniveau in de cel bewaakt, hiervoor verantwoordelijk is.

Deze bevindingen werpen nieuw licht op de relatie tussen vetstapeling en insulineresistentie. Bovendien bewijst dit onderzoek de belangrijke rol van regelmatige beweging in de preventie van type 2 diabetes en behandeling van insulineresistentie, aangezien beweging de AMPK activering stimuleert.

Silvie Timmers maakt deel uit van de onderzoeksgroep van prof Schrauwen en prof Hesselink binnen NUTRIM, die zich bezighoudt met de ontstaansmechanismen van type 2 diabetes.
[Maastricht Universiteit]

Postercampagne Kinder Diabetes Zorg Limburg

kinderdiabetesDe zes Limburgse ziekenhuizen zijn een gezamenlijke postercampagne gestart om suikerziekte bij kinderen (diabetes type 1) in een zo vroeg mogelijk stadium op te sporen. Op deze manier kunnen ziekenhuisopnames worden voorkomen of de opnameduur verkort.

Aandacht bedoeld om de ziekte zo vroeg mogelijk op te sporen
De campagne vloeit voort uit een samenwerking tussen de ziekenhuizen die vorig jaar oktober gestart is. De bedoeling is om de campagne later ook landelijk uit te rollen.

Kinder Diabetes Zorg Limburg
Kinder Diabetes Zorg Limburg (KDZL), zoals het provinciale samenwerkingsverband heet, verspreidt de posters onder scholen, kinderdagverblijven, GGD, thuiszorg en huisartsen. Op de poster staat welke symptomen op de ziekte diabetes type 1 wijzen. Wanneer die signalen beter herkend worden, is de kans veel groter dat de ziekte in een vroeger stadium ontdekt wordt, zodat de behandeling eerder kan worden gestart. Het zo vroeg mogelijk onderkennen van de ziekte en starten met de behandeling heeft als voordeel dat er gedurende een langere tijd een betere instelling mogelijk is van de diabetesregulatie. Daarnaast wordt een ziekenhuisopname, die bij jonge (diabetes)patiënten doorgaans als traumatisch ervaren wordt, mogelijk voorkomen.

Samenwerking
In oktober 2011 hebben de zes Limburgse ziekenhuizen een samenwerkingsverband opgericht om de zorg voor kinderen met diabetes type 1 beter te coördineren en te optimaliseren. Kinder Diabetes Zorg Limburg heeft in ieder ziekenhuis een eigen behandelteam voor kinderdiabetes. Bovendien is door intensieve samenwerking tussen de teams een continue en optimale zorg voor alle patiënten gegarandeerd.

Toename
Diabetes type 1 (of suikerziekte) komt steeds vaker voor bij kinderen en jongeren. Op dit moment zijn er in Nederland ruim 6000 kinderen en jongeren die lijden aan deze auto-immuunziekte; in Limburg zijn het er 500. De meest recente prognose is dat het aantal kinderen en jongeren met diabetes type 1 in 2025 zal zijn verdubbeld.
[academisch ziekenhuis Maastricht]

Multidisciplinaire richtlijn over zelfcontrole van bloedglucosewaarden

glucosemeterZelfcontrole wordt gezien als een essentieel hulpmiddel om normoglycemie te bereiken. Het is de hoeksteen bij de zelfzorg en de begeleiding van mensen met diabetes. Desondanks bestaat in Nederland geen eenduidigheid over adequate adviezen voor de indicatiestelling, frequentie en uitvoering van zelfcontrole.

Dit was voor de EADV aanleiding om een multidisciplinaire richtlijn te ontwikkelen. Deze richtlijn is tot stand gekomen met subsidie vanuit het NAD en in samenwerking met diverse diabetesprofessionals. Medio dit jaar wordt de richtlijn geïmplementeerd.

De nieuwe richtlijn vervangt de monodisciplinaire EADV richtlijn uit 2004, evenals de NDF richtlijn Zelfcontrole uit 2003. In eerste instantie wilde de EADV alleen haar eigen richtlijn herzien, maar stuitte daarbij op discussies over met name de uitvoering van zelfcontrole. Om die reden is conform de Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO) de multidisciplinaire richtlijn ontwikkeld met daarin aandacht voor het totale palet: indicatie, frequentie, educatie en de uitvoering van zelfcontrole. De werkgroep die deze richtlijn ontwikkelde bestond naast zorgverleners (huisarts, internist, diabetesverpleegkundige en een diëtist) ook uit een klinisch chemicus en een diabetespatiënt. De multidisciplinaire richtlijn moet alle zorgprofessionals in het diabetesveld ondersteunen in de dagelijkse, praktische diabeteszorg bij het maken van keuzes en afwegingen met betrekking tot zelfcontrole.

Knelpuntenanalyse
Om te inventariseren waar de diverse zorgverleners tegenaan lopen in het veld is allereerst een knelpuntenanalyse uitgevoerd. De werkgroep heeft een groot aantal diabeteszorgprofessionals gevraagd naar de huidige knelpunten en wat volgens hen in de nieuwe richtlijn zou moeten worden opgenomen. Een belangrijk punt bleek de indicatiestelling: wie geen insuline spuit, komt nu niet in aanmerking voor vergoeding van strips. Terwijl zelfcontrole voor sommige patiënten heel waardevol zou kunnen zijn. Een belangrijke vraag is dan ook: voor wie is zelfcontrole zinvol, en wat moeten vervolgens de frequentie en de tijdstippen van zelfcontrole zijn om op basis van de uitkomsten tot een betere diabetesregulatie te komen?

Proces
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn vijf hoofdvragen geformuleerd. De werkgroep heeft een raamwerk voor de nieuwe richtlijn samengesteld, dat bestaat uit vijf hoofdstukken: indicatie voor insulineonafhankelijke diabetespatiënten; indicatie en frequentie voor een- of tweemaal daagse insulinetoediening; frequentie van zelfcontrole voor mensen met insulinepomptherapie of een intensief schema; educatie; de voordelen van zelfcontrole. In een uitgebreide literatuurstudie van veelal internationale onderzoeken is alle beschikbare informatie voor de diverse groepen onderzocht. Een wetenschappelijk medewerker van TNO heeft de literatuur geordend, gezocht naar antwoorden op de eerder geformuleerde hoofdvragen en hier conclusies uit getrokken. Daarnaast heeft de werkgroep per onderdeel haar eigen overwegingen geformuleerd, vanuit het perspectief van de zorgverleners, het patiëntenperspectief en vanuit kostenoverwegingen: is er voldoende evidence voor zelfcontrole en hoe zit het bij deze specifieke patiënt? Kan en wil deze zelf de bloedsuiker controleren en actie ondernemen op basis van de resultaten van de meting? En welke kosten zijn daaraan verbonden? De conclusies en overwegingen zijn samengevat in een set van aanbevelingen, vertaald naar de Nederlandse situatie.

Indicaties
De aanbevelingen bieden handvatten voor maatwerk. Indicaties voor zelfcontrole zijn nu nog gebonden aan groepen patiënten. De richtlijn maakt het mogelijk de geldende indicaties als het ware te ‘personaliseren’. Voor mensen die geen insuline spuiten, is er geen hard bewijs dat zelfcontrole leidt tot een betere regulatie of tot meer tevreden patiënten. Uitzonderingen zijn vrouwen met zwangerschapsdiabetes die orale medicatie krijgen en mensen met diabetes type 2 die de maximale dosering orale middelen nemen. Maar hoe zit het met patiënten die orale medicatie gebruiken in combinatie met corticosteroïden? Of mensen die recent de diagnose diabetes hebben gekregen? Door bij hen zo snel mogelijk normoglycemie te bereiken, kan winst geboekt worden op het verloop van de ziekte. Bovendien is hun motivatie vaak groter dan van mensen die al langere tijd diabetes type 2 hebben. De meerwaarde van deze richtlijn is volgens de EADV dat die mogelijkheden biedt om algemeen geldende adviezen in de spreekkamer te vertalen naar maatwerk. Alleen dan is het mogelijk om als behandelaar samen met de patiënt afspraken te maken en die vast te leggen in een zorgplan, met concrete evaluatieafspraken. Zo kan de diabetesregulatie geoptimaliseerd worden en kunnen eventueel afspraken worden gemaakt met zorgverzekeraars. Zoals een patiënt die zich voorbereidt op een marathon en om die reden extra strips nodig heeft. Of een insulineonafhankelijke patiënt die twintig kilo wil afvallen en het effect daarvan op zijn of haar diabetesregulatie wil meten. Door het maken van concrete afspraken en die te vertalen in een zorgplan zou een zorgverzekeraar bereid gevonden kunnen worden om gedurende een bepaalde periode voor die specifieke patiënt (extra) strips te vergoeden.

Eerste of tweede druppel
Een van de grote discussiepunten waar tot voor kort geen consensus over was, is het gebruik van de eerste of tweede bloeddruppel. De adviezen van zorgverleners en klinisch chemici hierover zijn niet eenduidig en de uiteenlopende adviezen van diagnostische bedrijven zorgen voor nog meer onduidelijkheid. De EADV heeft vooral om die reden een klinisch chemicus gevraagd te participeren in de werkgroep om gezamenlijk tot een helder, eenduidig advies te komen. De uitkomst is dat de eerste bloeddruppel gebruikt mag worden, mits de handen goed gewassen en afgedroogd zijn. Dit is verwoord in de richtlijn.

Afronding
De EADV is zeer tevreden over de inhoud van de nieuwe richtlijn. Zelfs op lastige punten zoals het gebruik van de eerste of tweede bloeddruppel is overeenstemming bereikt. En de richtlijn biedt handvatten voor maatwerk. Medio 2012 verschijnt de multidisciplinaire richtlijn Zelfcontrole in een gedrukte versie voor het gebruik in de spreekkamer en in een uitgebreide digitale versie, inclusief alle bijlagen. Daarnaast wordt een geplastificeerde kaart gemaakt met daarop de aanbevelingen.

Download de richtlijn op de website van het EADV.