Multidisciplinaire richtlijn over zelfcontrole van bloedglucosewaarden

glucosemeterZelfcontrole wordt gezien als een essentieel hulpmiddel om normoglycemie te bereiken. Het is de hoeksteen bij de zelfzorg en de begeleiding van mensen met diabetes. Desondanks bestaat in Nederland geen eenduidigheid over adequate adviezen voor de indicatiestelling, frequentie en uitvoering van zelfcontrole.

Dit was voor de EADV aanleiding om een multidisciplinaire richtlijn te ontwikkelen. Deze richtlijn is tot stand gekomen met subsidie vanuit het NAD en in samenwerking met diverse diabetesprofessionals. Medio dit jaar wordt de richtlijn geïmplementeerd.

De nieuwe richtlijn vervangt de monodisciplinaire EADV richtlijn uit 2004, evenals de NDF richtlijn Zelfcontrole uit 2003. In eerste instantie wilde de EADV alleen haar eigen richtlijn herzien, maar stuitte daarbij op discussies over met name de uitvoering van zelfcontrole. Om die reden is conform de Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO) de multidisciplinaire richtlijn ontwikkeld met daarin aandacht voor het totale palet: indicatie, frequentie, educatie en de uitvoering van zelfcontrole. De werkgroep die deze richtlijn ontwikkelde bestond naast zorgverleners (huisarts, internist, diabetesverpleegkundige en een diëtist) ook uit een klinisch chemicus en een diabetespatiënt. De multidisciplinaire richtlijn moet alle zorgprofessionals in het diabetesveld ondersteunen in de dagelijkse, praktische diabeteszorg bij het maken van keuzes en afwegingen met betrekking tot zelfcontrole.

Knelpuntenanalyse
Om te inventariseren waar de diverse zorgverleners tegenaan lopen in het veld is allereerst een knelpuntenanalyse uitgevoerd. De werkgroep heeft een groot aantal diabeteszorgprofessionals gevraagd naar de huidige knelpunten en wat volgens hen in de nieuwe richtlijn zou moeten worden opgenomen. Een belangrijk punt bleek de indicatiestelling: wie geen insuline spuit, komt nu niet in aanmerking voor vergoeding van strips. Terwijl zelfcontrole voor sommige patiënten heel waardevol zou kunnen zijn. Een belangrijke vraag is dan ook: voor wie is zelfcontrole zinvol, en wat moeten vervolgens de frequentie en de tijdstippen van zelfcontrole zijn om op basis van de uitkomsten tot een betere diabetesregulatie te komen?

Proces
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn vijf hoofdvragen geformuleerd. De werkgroep heeft een raamwerk voor de nieuwe richtlijn samengesteld, dat bestaat uit vijf hoofdstukken: indicatie voor insulineonafhankelijke diabetespatiënten; indicatie en frequentie voor een- of tweemaal daagse insulinetoediening; frequentie van zelfcontrole voor mensen met insulinepomptherapie of een intensief schema; educatie; de voordelen van zelfcontrole. In een uitgebreide literatuurstudie van veelal internationale onderzoeken is alle beschikbare informatie voor de diverse groepen onderzocht. Een wetenschappelijk medewerker van TNO heeft de literatuur geordend, gezocht naar antwoorden op de eerder geformuleerde hoofdvragen en hier conclusies uit getrokken. Daarnaast heeft de werkgroep per onderdeel haar eigen overwegingen geformuleerd, vanuit het perspectief van de zorgverleners, het patiëntenperspectief en vanuit kostenoverwegingen: is er voldoende evidence voor zelfcontrole en hoe zit het bij deze specifieke patiënt? Kan en wil deze zelf de bloedsuiker controleren en actie ondernemen op basis van de resultaten van de meting? En welke kosten zijn daaraan verbonden? De conclusies en overwegingen zijn samengevat in een set van aanbevelingen, vertaald naar de Nederlandse situatie.

Indicaties
De aanbevelingen bieden handvatten voor maatwerk. Indicaties voor zelfcontrole zijn nu nog gebonden aan groepen patiënten. De richtlijn maakt het mogelijk de geldende indicaties als het ware te ‘personaliseren’. Voor mensen die geen insuline spuiten, is er geen hard bewijs dat zelfcontrole leidt tot een betere regulatie of tot meer tevreden patiënten. Uitzonderingen zijn vrouwen met zwangerschapsdiabetes die orale medicatie krijgen en mensen met diabetes type 2 die de maximale dosering orale middelen nemen. Maar hoe zit het met patiënten die orale medicatie gebruiken in combinatie met corticosteroïden? Of mensen die recent de diagnose diabetes hebben gekregen? Door bij hen zo snel mogelijk normoglycemie te bereiken, kan winst geboekt worden op het verloop van de ziekte. Bovendien is hun motivatie vaak groter dan van mensen die al langere tijd diabetes type 2 hebben. De meerwaarde van deze richtlijn is volgens de EADV dat die mogelijkheden biedt om algemeen geldende adviezen in de spreekkamer te vertalen naar maatwerk. Alleen dan is het mogelijk om als behandelaar samen met de patiënt afspraken te maken en die vast te leggen in een zorgplan, met concrete evaluatieafspraken. Zo kan de diabetesregulatie geoptimaliseerd worden en kunnen eventueel afspraken worden gemaakt met zorgverzekeraars. Zoals een patiënt die zich voorbereidt op een marathon en om die reden extra strips nodig heeft. Of een insulineonafhankelijke patiënt die twintig kilo wil afvallen en het effect daarvan op zijn of haar diabetesregulatie wil meten. Door het maken van concrete afspraken en die te vertalen in een zorgplan zou een zorgverzekeraar bereid gevonden kunnen worden om gedurende een bepaalde periode voor die specifieke patiënt (extra) strips te vergoeden.

Eerste of tweede druppel
Een van de grote discussiepunten waar tot voor kort geen consensus over was, is het gebruik van de eerste of tweede bloeddruppel. De adviezen van zorgverleners en klinisch chemici hierover zijn niet eenduidig en de uiteenlopende adviezen van diagnostische bedrijven zorgen voor nog meer onduidelijkheid. De EADV heeft vooral om die reden een klinisch chemicus gevraagd te participeren in de werkgroep om gezamenlijk tot een helder, eenduidig advies te komen. De uitkomst is dat de eerste bloeddruppel gebruikt mag worden, mits de handen goed gewassen en afgedroogd zijn. Dit is verwoord in de richtlijn.

Afronding
De EADV is zeer tevreden over de inhoud van de nieuwe richtlijn. Zelfs op lastige punten zoals het gebruik van de eerste of tweede bloeddruppel is overeenstemming bereikt. En de richtlijn biedt handvatten voor maatwerk. Medio 2012 verschijnt de multidisciplinaire richtlijn Zelfcontrole in een gedrukte versie voor het gebruik in de spreekkamer en in een uitgebreide digitale versie, inclusief alle bijlagen. Daarnaast wordt een geplastificeerde kaart gemaakt met daarop de aanbevelingen.

Download de richtlijn op de website van het EADV.

Eén antwoord op “Multidisciplinaire richtlijn over zelfcontrole van bloedglucosewaarden”

  1. De eerste druppel:
    Bij goed gewassen handen hoort natuurlijk afdrogen aan een S C H O N E handdoek!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.